steven vandeput 2Zoals iedereen moeten ook militairen langer werken. Minister Steven Vandeput zat in het parlement en voelde al nattigheid. Op 15 november betoogden zowat 10.000 militairen tegen zijn personeelsplannen. De Chef Defensiestaf had begrip voor de betogers, alleen jammer dat het net op Koningsdag was.

Zijn eerste reactie tijdens een radio-interview op Radio Een was dat hij nu gaat samen zitten met de vakbonden om hen meer informatie te verstrekken. Hij zei alvast dat men nu bezig was om aan de hand van simulaties de impact te bekijken en vermeldde ook flankerende maatregelen, onder meer dat militairen gemakkelijker zullen kunnen overstappen naar een ander departement.

Applaus bij de dwarsliggers, die daar nog voor de verkiezingen van 2014 voor pleitten en het aandurfden om nadien een bericht te publiceren met als titel ‘Raadgevingen aan de Minister van Defensie’. Wat ons bij die ‘horizontale flexibiliteit’ van Vandeput interesseert is of de voorziene maatregelen gebaseerd zijn op vrijwilligheid, want ook dat werd reeds geprobeerd en mislukte om diverse redenen.

Personeelspolitiek bij Defensie


Na alle nieuwsbrieven gewijd aan de vervanging van de F-16 vliegtuigen, is het ongetwijfeld welkom om ook een ander nog belangrijker onderwerp op de agenda te zetten: de personeelspolitiek van Defensie die al decennialang sukkelt met weeffouten en waar géén enkele minister een adequate oplossing voor vond (hierna uittreksels uit het artikel van 14 maart 2015, en nog altijd actueel):

De structurele weeffouten
Wanneer men teruggaat naar de essentie dan is het antwoord simpel: geld, geld en nog eens geld. En dat geld is ook te vinden bij defensie zelf. Met een personeelskost die meer dan 70 % van het budget opslorpt, verdwijnt elke marge voor investeringen en voor operationele werkingsmiddelen. Hier kan jaarlijks 20% of zowat 500 miljoen worden bespaard. Maar daarvoor moeten we heilige huisjes slopen, want zonder politieke moed kan geen enkele staat aanspraak maken op een efficiënte krijgsmacht.
(…)
De totaal scheefgetrokken budgetstructuur is de belangrijkste structurele weeffout, waardoor jaarlijks zowat 500 miljoen euro verloren gaan voor investeringen en operationele capaciteit.

Drie nagels in de doodskist van het personeelsbeleid
Voor een goed begrip moeten we het personeelsprobleem in zijn globale context zien. Dat Europa veel meer soldaten heeft dan de VS maar toch – of precies daardoor - een militaire dwerg is, heeft te maken met een andere kijk op het buitenlands beleid en op defensie. Amerika denkt in termen van operationele capaciteiten en ontwikkelt daarvoor de hard- en software, wij (en ook andere Europese landen) denken te veel in maximale tewerkstellingskansen en minimalisering van de kosten. Het aanwerven van burgerpersoneel terwijl er een belangrijk overtal is aan geschikte (desnoods mits een reconversie cursus) oudere militairen, is daar een flagrant voorbeeld van.

1.Wie geen duidelijke ambities heeft inzake buitenlands beleid, heeft ook geen operationeel leger nodig.
(…)
2.Het militair beroep is onvoldoende respectabel.
Het leger heeft altijd moeite gehad om mensen aan te werven. En dat het niet aantrekkelijk was heeft veel te maken met een foute perceptie. De bevolking kende indertijd het leger alleen maar wanneer een zoon of familie ‘naar het leger moest’. Heel veel soldaten beleefden er nochtans de tijd van hun leven, maar een elite die via het toenmalig welig tierend politiek dienstbetoon niet naar Duitsland wou, kon op voorspraak hun ‘dienst kloppen’ overdag en ’s avonds terug naar mama. Ze konden enkel taken krijgen onder hun niveau en vonden het terecht puur tijdsverlies. Deze elite heeft zich later heel dikwijls van zijn kleinste kant laten zien wanneer de Krijgsmacht steun nodig had.
Militairen hebben die afstand naar de maatschappij nooit kunnen dichten, al verbeterde het enigszins toen soldaten vanaf 1991 deelnamen aan buitenlandse opdrachten. Defensie heeft door onnodige geheimdoenerij zelf ook fout aan de afstand naar de maatschappij. Net zoals politici die defensie gebruik(t)en voor electorale doeleinden. ‘Je me permets d’insister’ schreef minister Flahaut ooit op de sollicitatiebrief van een poetsvrouw.
Deze nefaste tussenkomsten zorgden er ook voor dat elke burgemeester met enige macht druk uitoefende opdat 'zijn kazerne next door’ open bleef. Toen het leger teruggetrokken werd uit Duitsland en vooral na de overgang naar een beroepsleger, koos defensie zelf voor een concentratie van de kazernes, Leopoldsburg in Limburg werd zowat de enige thuishaven voor de operationele Landmacht. Marche-en-Famenne werd dat voor de Franstaligen. Om besparingsredenen, zo werd toen gezegd. Maar wat men over het hoofd zag, was dat door deze keuze (besparingsdrift) een groot reservoir aan potentiële kandidaten uit andere provincies verloren ging. Buiten Limburg werd defensie onbekend en onbemind. Geen enkel geraadpleegde specialist heeft oog voor dit probleem. Integendeel, sommigen willen het leger nog meer opsluiten in een of andere provincie.
Daarom komt het leger ook vandaag heel onsympathiek over bij een bepaald deel van de bevolking. Is het niet symptomatisch dat er zelfs protesten zijn wanneer militairen in tijden van terrorisme op de straat te zien zijn voor veiligheidsopdrachten'?
3.Het ambtenarenstatuut is onverenigbaar met het militair beroep.
Verschillende experten wijzen op de te grote ‘overhead’ kosten en willen daar minder mensen voor inzetten. Prima, maar toch even nadenken: zo lang men duizenden jonge mensen nodig heeft en deze tot hun pensioen bij defensie moeten blijven, zijn er ook voor hen taken nodig. De afschaffing van het ambtenarenstatuut lijkt dan voor de hand te liggen, maar is het niet.
Een organisatie als defensie waar continuïteit essentieel is, mag niet afhankelijk worden van de economische conjunctuur. De experimenten met tijdelijk personeel hebben dit al heel duidelijk aangetoond. Na meerdere pogingen om via tijdelijke vrijwilligers een oplossing te vinden (de eerste zogenaamde ‘NAVO vrijwilligers’ dateren van halfweg vorige eeuw), is het hoog tijd om duurzamer structurele oplossingen aan te bevelen. 
 
Twee breekhamers voor een flexibel personeelsbeleid

Vooraf even dit: het personeelsprobleem stelt zich zowel bij de instroom van jonge militairen als bij de uitstroom van niet langer operationele militairen. Een structurele oplossing moet daarom zowel sleutelen aan de instroom als aan de uitstroom.

1.Flexibiliteit in ruil voor werkzekerheid.
Vaste werknemers hebben hun plaats in de administraties. Maar we mogen wel flexibiliteit vragen in ruil voor werkzekerheid. Een van de voornaamste bezwaren voor een overgang van militairen naar een andere administratie is dat ze eventueel de plaats afnemen van iemand anders en dat, erger, hun promotie in gevaar komt. Om daaraan te verhelpen zetten we de eerste breekhamer in: voortaan worden alleen nog ambtenaren aangeworven op basis van capaciteiten en niet meer in functie van een welbepaalde administratie. Daarenboven wordt geen garantie meer gegeven om in eenzelfde administratie te kunnen blijven, maar tegelijk krijgen alle ambtenaren de mogelijkheid om te veranderen van administratie na een minimum-periode. Enige competitie tussen de administraties zal ongetwijfeld ook het personeelsbeleid positief beïnvloeden. Wie is beter geplaatst dan de minister voor ambtenarenzaken om dit voorstel op de agenda te zetten?
Dat betekent voor departementen zoals defensie dat ze hun niet-operationeel personeel niet langer moeten ‘bezig houden’ in niet essentiële diensten die daarenboven veel geld kosten. Laat militairen hun talenten gebruiken voor fysiek minder belastende maar wel uitdagende jobs in ander departementen. Velen zullen daar positief mee omgaan en wie ertegen is, moet eens nadenken over de eigen werkethiek. Militairen hoeven dan ook niet meer vroeger ‘op rust’ te gaan. Maar men moet voor het bepalen van de pensioenleeftijd wel rekening houden met de geleverde ‘operationele inspanningen’.
Voor heel veel militairen zijn de laatste vijf jaren dikwijls de minst interessante, precies omdat ze beseffen dat ze eigenlijk overbodig zijn. Zo kunnen duizenden militairen een nieuwe uitdaging vinden en dalen de personeelskosten van defensie navenant.
Door de wisselwerking die zo op gang komt zal er ook een grotere cohesie komen tussen alle administraties en zullen er ongetwijfeld andere synergie-effecten mogelijk worden. Ik denk dan onder meer aan de permanente vorming in gemeenschappelijke onderwijsinstellingen.

2.Burgerplicht in ruil voor het voordeel van een ambtenarenstatuut.
Het personeelsprobleem is ook te wijten aan de moeilijke instroom. Daarenboven heeft de krijgsmacht door het opschorten van de legerdienst geen reserve meer. Om dit probleem op te lossen zetten we onze tweede breekhamer in: elke aangeworven (enkel federale?) jonge ambtenaar moet zich ertoe verbinden om tijdens de eerste twee jaar een korte militaire basisvorming te volgen en gedurende een aantal jaren beschikbaar te zijn voor opdrachten indien de omstandigheden dat vereisen. Hoeveel tijd hiervoor nodig is en hoe dat het best georganiseerd wordt, is een discussie waard maar mag geen beletsel zijn. Het is evident dat daarbij de persoonlijke kennis van de ambtenaar moet gevaloriseerd worden. Voor de cyberoorlog hoeft men geen scherpschutter te zijn.
Er kan ook een regionale reserve georganiseerd worden (voor gewestelijke ambtenaren) die dan kunnen bijspringen in geval van binnenlandse opdrachten in het kader van de ‘Hulp aan de Natie’ en als bijkomende reserve voor buitenlandse opdrachten.
Tot zo ver de uittreksels die verband houden met de personeelspolitiek. Het volledig artikel lezen: ‘Raadgevingen aan de minister van defensie’

Een kleiner waterhoofd?
We zijn heel nieuwsgierig hoe de genomen maatregelen er concreet uitzien en zullen die zoals het de dwarsliggers past, kritisch beoordelen op basis van de effectiviteit. Intussen mag defensieminister Steven Vandeput rustig verder genieten van zijn waterbed: een waterhoofd dat met de verlenging van de arbeidsduur riskeert om nog omvangrijker te worden.

Namens het Dwarsliggers defensieteam

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren