Print

quo vadis defenseNa de Belgische keuze voor de F-35A als opvolger voor de F-16 kwamen we in een windstille periode terecht, en deze kan nog wel een tijdje duren gezien de recente verkiezingsresultaten waardoor een regeringsvorming wel eens héél lang zou kunnen duren. We gebruikten deze periode om na te denken over een defensie voor de toekomst. We beginnen met een analyse van de evolutie tijdens de laatste decennia en kwamen tot het inzicht dat er in het “defensie denken” een belangrijke verschuiving heeft plaatsgevonden.

 

Na de val van de Berlijnse Muur

Na de val van de Berlijnse muur werd het populair om de legerdienst af te schaffen/op te schorten. Waarom nog zo veel jonge mensen verplichten om een inspanning te leveren voor een oorlog die door de implosie van de Sovjet-Unie minder waarschijnlijk werd? De opheffing van de legerdienst werd afgemeten aan zijn economische impact. Het fenomeen kreeg zelfs een toepasselijke naam: het vredesdividend.

Een modern leger werd er een met moderne wapens en er was nood aan specialisten om die te gebruiken. Beroepsmilitairen bleken het antwoord van de meeste Europese landen. De uitzonderingen, zoals Oostenrijk, leken een anachronisme. Het patriottisme verwaterde en waarden zoals burgerzin en nationale weerbaarheid werden bij het huisvuil gezet.

Maatschappelijk werd nationalisme een vies woord. De wereldburger zou komaf maken met al die bekrompen onzin. De slogan ‘Individuele rechten met zo weinig mogelijk plichten’ werd een tendens die zich in alle domeinen van de maatschappij doorzette.

Bij defensie gingen we nog een stap verder: beroepsmilitairen werden niet langer gepercipieerd als garanthouders voor onze vrijheid. Met de afschaffing van de legerdienst verloor de krijgsmacht ook het potentieel van een kwalitatief sterk reserveofficierenkorps én de stabiliserende band met de natie  Militairen werden bestempeld als betaalde ambtenaren. Veiligheid was te koop. Het volstond om te betalen … en om bij tekorten, die aan te vullen met tijdelijke ‘huurlingen’ die veiligheidsfirma’s rekruteerden onder burgers, heel dikwijls ex-militairen die aan de deur gezet waren wegens te oud en niet meer operationeel.

De link tussen een progressieve politiek en de macht van het militair industrieel complex 

Eind vorige eeuw was ‘het Leger’ voor de meeste Europese politici een belangrijke factor in de tewerkstellingspolitiek. Toen de arbeidsmarkt kromp, werd het beroep van militair belangrijk voor (progressieve) politici als middel om de werkloosheid te bestrijden. Over de noodzakelijke kwaliteiten werd niet moeilijk gedaan. Overigens, dat het onderwijs in zijn geheel aan hetzelfde gebrek aan kieskeurigheid zou gaan lijden zoals nu duidelijk blijkt, was voorspelbaar.

In het domein van het militair materieel werd het militair industrieel complex (MIC) dé nieuwe machtsfactor. De wapenwedloop werd onvermijdelijk en steeds duurder. Er werden fortuinen verdiend en politici omkopen werd schering en inslag. De schandalen in meerdere Europese landen, waaronder België en Nederland, veroorzaakten aanvankelijk heel wat ophef, maar het kwaad verdween niet. Het werd alleen subtieler, ja zelfs wettelijk volkomen in orde.

De verwevenheid tussen het MIC en de politieke elite werd gelegaliseerd. Het is een publiek geheim dat machtige firma’s zoals Halliburton miljarden verdienden aan de USA-oorlogen in het Midden Oosten. “The company has been involved in numerous controversies, including its involvement with Dick Cheney and the Iraq War”. Over vice-president Cheney waren er nog meer verontrustende berichten (lees hier).

Vandaag is het volkomen normaal dat politici (en militairen) door het MIC achteraf beloond worden met lucratieve zitjes in bestuursorganen, adviesopdrachten krijgen toegeschoven of raadgevende functies bekleden. Daar is een zeer toepasselijk woord voor: draaideurpolitici/-militairen. Ze doen de deur achter hun politieke/militaire loopbaan dicht en de deuren van het MIC gaan open ‘voor bewezen of nog te bewijzen diensten’. Zo evolueerden we naar het Politiek MIC (PMIC).

Een opmerkelijk voorbeeld van dit fenomeen, waarbij de tewerkstelling als politiek argument samenspant met het MIC, is het Amerikaanse JSF/F-35 project van Lockheed Martin. Door de verspreiding van hun JSF-activiteiten over de meerderheid van de Amerikaanse staten, konden ze rekenen op de politieke steun van de afgevaardigden van die staten. Niet meer de kwaliteit van het product was de norm voor de organisatie van de productie maar het politieke draagvlak om triljoenen publieke gelden los te weken. Dat is ook de reden waarom zowel Democraten als Republikeinen dit project steunden en enkel voor naïevelingen is het nodig om te herhalen dat daar géén patriottische overtuigingen voor nodig zijn, integendeel. Het helpt ook dat het overgrote deel van die politici géén flauw benul hebben waarvoor ze zich inzetten, laat staan dat ze op zoek zouden gaan naar ongepaste (kritische) informatie.

Dat is ook het geval voor nogal wat topmilitairen die via dergelijke projecten de draaideur van het MIC zien opengaan. Het kan niemand verwonderen dat ze daardoor minder objectief zijn, wat tot echte rampen kan leiden. De vraag of deze situatie het algemeen belang dient, is heel zeker aan de orde.

Verdedigers van Waarden of Oorlogszuchtigen?

We horen en zien het zo dikwijls: Westerse leiders die onze democratische waarden willen verdedigen. Dat ze daarvoor andere landen moeten demoniseren, is blijkbaar geen ethisch probleem.

Even concreet: Het zou wel eens kunnen dat president Donald Trump die kiest voor een economische ‘oorlogsvoering’ tegen de ‘Schurkenstaten’ een véél vredelievender president is dan zijn veelgeprezen voorgangers die (in naam van de Westerse waarden) heilloze oorlogen voerden met heel veel slachtoffers én materiële schade die zorgt voor migratie en decennialange maatschappelijke ontwrichting.

Militairen die heel dikwijls méér begaan zijn met het lot van de oorlogsslachtoffers, waar ze trouwens zelf bij horen, zouden een tegengewicht kunnen vormen. Helaas, ‘politiek-correct’ denken over de veiligheidsstrategie en een dreigingsanalyse die al eens vertroebeld wordt door andere belangen of persoonlijke ambities, zorgen ervoor dat ook deze ‘specialisten’ al te gemakkelijk meestappen in een militair opbod (wapenwedloop).

Het PMIC heeft gewoon vijandbeelden nodig als draagvlak voor hun geldverslindende graaicultuur en wanneer politici en ook nog topmilitairen aan hun handje lopen dan komen we inderdaad tot situaties waarbij de veiligheidspolitiek niet meer in Washington wordt bepaald, maar in plaatsen zoals Bethesda waar mevrouw Marillyn Hewson, CEO van Lockheed Martin aan het stuur zit.

Evolutie in de oorlogsvoering

In vorige publicaties wezen we al op de gevolgen van de Vietnamoorlog voor de oorlogsvoering. Té veel ‘body bags’  tastten het maatschappelijk draagvlak aan en het leidde tot de ontwikkeling van wapens die vanop een veiliger afstand konden afgevuurd worden. Op één vraag die eveneens na Vietnam belangrijk was vond niemand het antwoord: ‘Hoe kan men een oorlog beëindigen en de vrede herstellen?’.

De evolutie zorgde voor de ontwikkeling en de inzet van stand off wapensystemen (o.a. cruise missiles) om de vijandelijke luchtmacht en commandoposten uit te schakelen. De bevrijding van Koeweit en vervolgens de oorlog tegen Irak waren de eerste (geslaagde) operaties. Een verdere stap bestond erin om zelfs geen grondtroepen meer te leveren en het ‘vuile werk’ uit te besteden aan lokale spelers (cfr. de Koerden in Noord-Irak en Syrië).

Het defensie team van de Dwarsliggers had daarover een interessante discussie, waarvan hier enkele veelzeggende bedenkingen volgen:

Luchtoverwicht is een voorname randvoorwaarde voor grondoptreden. De Golfoorlog was beslist een schoolvoorbeeld van hoe men luchtoverwicht verkrijgt en dat vervolgens effectief inzet om een conventionele tegenstander op de knieën te krijgen. Het vervelende is echter, dat men daarna de Golfoorlog als blauwdruk is gaan zien voor iedere andere campagne, zich niet realiserend dat de Iraakse luchtmacht eigenlijk nooit zo'n grote bedreiging vormde als werd gedacht. Men is zich op de borst gaan kloppen, terwijl de Iraakse strijdkrachten op de keper beschouwd niet erg goed en niet zo erg gemotiveerd waren als werd verondersteld. 

In het doctrinaire denken is er sindsdien een grote fout gemaakt, nl. dat het voornamelijk de technologische superioriteit was die de oorlog had beslist. Want los daarvan klopte de strategie van Schwarzkopf buitengewoon goed, waren de militairen uitermate goed voorbereid en vertrouwde men juist niet uitsluitend op geavanceerde technologie. Eerder was het zo, dat men op de discipline, de inventiviteit en het initiatief van militairen kon vertrouwen. 

Dat kun je goed zien in de manier waarop A-10 vliegers tijdens de Golfoorlog omgingen met het feit dat ze geen warmbeeld doelopsporingsmiddelen hadden. Een slimmerik bedacht toen, dat men de IR-zoekkop van de AGM-65D daarvoor kon gebruiken. En dat werd tot kunst verheven. De A-10's, tot dusver eigenlijk alleen overdag inzetbaar, bleken ook 's nachts heel effectief. Bovendien kon men 's nachts beter T-72's waarnemen omdat die hun motoren moesten laten draaien om hun warmbeeld vizieren van energie te voorzien. 

Wat we nu steeds vaker zien, is (1) dat het vertrouwen in de technologie de overhand heeft genomen en (2) dat zaken als menselijke creativiteit, aanpassingsvermogen en reactievermogen juist zoveel mogelijk moet worden beperkt, om de technologie te laten gloriëren, en (3) dat men de technologie en onderliggende doctrine als onfeilbaar en onkwetsbaar beschouwt. Men ziet enkel nog ‘wapensystemen’ die moeten uitgeschakeld worden; enkel een technische kwestie. Tactiek en strategie kunnen overboord, want de techniek maakt die overbodig. Dat potentiële tegenstanders intelligente figuren zijn, die continu hun tactiek en strategie herzien/bijschaven, wil er maar niet in bij de ‘believers’ van de wapenwedloop. Dát hadden ze toch van de Vietnam-vernedering kunnen onthouden!

Terwijl men hier in het Westen al decennia ‘tamboereert’ over superieure 'situational awareness' en 'netcentric warfare (plug and play),' werden de messen in Bejing, Teheran en Moskou geslepen. En kijk naar het resultaat: de huidige generatie Anti Acces/Area Denial wapens zijn een enorme uitdaging waarop nog geen antwoord bestaat. Bij voorbeeld, tegen de hoog supersonische en hypersonische antischeepsraketten en ballistische 'carrier killers' is vooralsnog geen verdediging, conventionele onderzeeboten blijken meer dan eens tijdens oefeningen complete carrier battlegroups van de USN te kunnen uitschakelen en tijdens een grote NAVO oefening in de Baltische staten was ineens alle communicatie (datalinks en GPS ontvangst incluis) onmogelijk, vermoedelijk door breedband stoorzenders die vanuit Wit Rusland opereerden. Er waren al berichten dat AWACS niet met tankers en de fighters van de Baltic Air Policing missie konden communiceren. 

Wat we kunnen leren uit dit alles is dat luchtoverwicht  en technologisch overwicht (in Afghanistan zijn beide absoluut) weliswaar handig zijn, maar geen substituut vormen voor verstandig beleid. Maar wat doet men aan beide zijden van de oceaan? Nog meer geld in nog geavanceerder wapentuig stoppen, terwijl er onvoldoende bekwame gebruikers beschikbaar zijn (en men daarom ook maar de wervingsnormen en opleidingseisen neerwaarts bijstelt). Zo worden onze strijdkrachten van hoog tot laag steeds dommer, de apparaten steeds 'slimmer,' en kunnen we op de duur geen oorlog meer winnen, vooral niet als ons eigen hachje rechtstreeks in het geding is. 

Daarom was kolonel piloot John Boyd zo belangrijk. Dat was een intelligent mens, die bovendien in durfde in te gaan tegen de conventies van de dag. Helaas zullen we komende jaren zien, dat dergelijke vrijdenkers niet meer getolereerd worden in de rangen van onze strijdkrachten: men wil volgzame ja-knikkers, die alles volgens het boekje doen en die elke vorm van kritiek zullen inslikken. 

In burgeroorlogen is de inzet van een luchtmacht niet evident

Probleem is dat men dan altijd steun verleent aan één kant, die dikwijls niet te betrouwen is, meestal corrupt, en niet bereid om een democratie helpen uitbouwen. Bij voorbeeld:

Door luchtsteun te geven aan de sjiieten in Bagdad hebben de USA zélf de soennieten in de armen van IS gedreven. En bovendien hebben de Amerikanen steun gezocht in Syrië en Irak bij o.a. Al Nusra, de lokale tak van Al Quaida in Syrië. En in Afghanistan gaan ze nooit de oorlog kunnen beëindigen want de door hen gesteunde corrupte Afghaanse Warlords kunnen ideologisch niet op tegen de Taliban en de radicale Islam. Vietnam revisited!

Ondertussen hebben we allemaal zoveel geld verloren in die domme nooit eindigende conflicten dat zowel Rusland (ondanks zijn onmogelijke economische toestand, en zijn demografische problemen) als vooral China nu ineens “peer powers” worden met wél een luchtmacht, nucleaire wapens, raketten, space systems, en vooral ook IT-specialisten die sneller gaan innoveren dan de USA. Eigenlijk had Trump dit door, en wilde een aantal van die dwaze conflicten beëindigen, maar het politiek-militair-industrieel complex (zie vooral LM en Boeing) zijn erin geslaagd om dat gevaar (voor hen) in te perken. Zie de mening van Trump over de F-35 voor de verkiezingen en nu.... Tja, voor alles is Trump een commerçant met een niet al te beste reputatie. Het zal hem worst wezen of de F-35 een succes wordt en wel om twee redenen: (1) het volstaat dat die jobs opbrengt (waar hebben we dat nog gehoord?) en (2) omdat hij die toch niet nodig heeft voor zijn strategische economische oorlog.

En hoe zit het vandaag met de F-35?

Blijkbaar niet zo goed wanneer we ons mogen baseren op het begin dit jaar gepubliceerde verslag van Robert Behler, de nieuwe directeur van het ‘Operational Test and Evaluation team’ van het Pentagon. Daarin verklaart hij dat de levensduur van de F-35 zo’n 25 % bedraagt van de voorziene 8.000 vlieguren. 2.100 vlieguren en dat zal kenners niet verbazen, want onder meer de wingload (dat betekent hogere spanningen in de vleugels die leiden tot hogere blootstelling aan metaalmoeheid) is nog hoger dan die van de F104 Starfighter en bij dat type (ook van LM) moest de Belgische luchtmacht reeds na 2.000 vlieguren beginnen met de vervanging van de vleugels …

“Air Force Chief of Staff Gen. David Goldfein said in February the service can’t afford its 72-jet goal.” Voor 2020 bestelden ze maar 48 exemplaren. En in 2018 betaalde de USAF 44.000 dollar per vlieguur met de F-35A; vér boven de belofte en vijf maal meer dan een vlieguur met de F-16. Wie blijft volhouden dat de werkingskosten voor de F-35A zullen meevallen is totaal ongeloofwaardig.

Een tweede groot probleem is de beschikbaarheid van het vliegtuig. Er werd géén verbetering vastgesteld in het jaar 2018. Van de beloofde 80 % zijn we ver verwijderd. Zelfs de bijgestelde norm van 60 % wordt niet gehaald! Hij wijst op het belang van deze zwakke score, namelijk dat het niet mogelijk is om het vliegtuig voldoende te testen (!) en om de piloten  een goede training te laten volgen.

Na zeventien jaar ontwikkeling is Lockheed er nog niet in geslaagd om het kanon van de F-35A (voor steun aan de grondtroepen) goed te laten werken. “the accuracy of the gun fitted on the F-35A to be "unacceptable" and inadequate to "meet the contract specification."

Er is géén vooruitgang geboekt in 2018 inzake de cyberkwetsbaarheid van de F35 … Als men dan wéét dat ICT de voornaamste capaciteit is aan boord van moderne gevechtsvliegtuigen … en volgens onze Nederlandse expert zal het met het huidige ICT-concept NOOIT goed komen.

"Is it supportable with ALIS? With special hangars? With unique fuel trucks to keep the fuel cool?

Is it affordable? Not the base price of the airplane but to maintain and fly it?

Congress itself is saying no to the above. Finally we're seeing lawmakers BEGIN to hold the program accountable."

Waarde lezers,

Defensie is ook in België de speelbal geworden van het PMIC. Dat blijkt onder meer uit volgende feiten:

Een regering die zonder het parlement vooraf te informeren onze NAVO-verplichtingen uitbreidde tot initiële aanvalsacties vanaf de eerste dag. Die zélfs geen moeite deed om zich vooraf adequaat te informeren.

Een parlement dat aan de ketting ligt door de particratie en haar geld als waakhond absoluut niet waard is.

De luchtmacht die zijn voorkeur voor de F-35A niet onder stoelen of banken stak en op onze kritiek steeds opnieuw hetzelfde refreintje afdreunde: ‘het zijn kinderziektes en alles komt wel goed’.

Vanaf het begin heeft ons defensieteam gepleit voor een uitstel van beslissing die overigens perfect mogelijk was binnen de levensduur van de huidige F-16’s. Een uitstel dat had kunnen voorkomen dat we een kat in een zak kochten. Maar een Krachtdadige Leider wou daar niet naar luisteren.

De aankoop van een duur vliegtuig om de Amerikanen ter wille te zijn, verbergt echter een ander acuut probleem waar ook Nederland mee te maken heeft: onvoldoende operationeel personeel.

De omvangrijke krijgsmacht mét dienstplichtigen werd ingeruild voor een beroepsleger zonder noemenswaardige operationele personeelsreserves. En nu blijkt dat ook de rekruteringsinspanningen voor dit beperkte beroepsleger niet volstaan om de tekorten op te vullen. De (tijdelijke?) noodzaak om dan maar burgers (vooral ex-militairen die te oud waren) via ‘veiligheidsfirma’s’ in te huren geeft aan dat de personeelspolitiek van Defensie niet getuigt van vooruitziendheid. Dát zou ons wel eens zuur kunnen opbreken.

Pjotrs Defensieteam