PT f16 savasan sahin1In De Standaard (16 dec. 2013) pleit Jonathan Holslag (VUB) voor een volwaardige Belgische defensie met gevechtsvliegtuigen én fregatten. Over de factuur, geen woord.

 

In een opmerkelijk pleidooi in De Standaard (16 dec. 2013) gaat Jonathan Holslag, docent internationale politiek aan de VUB, uit van de grote waarschijnlijkheid op gewapende conflicten in de komende tien jaar. Daarom moet België volgens hem zowel over gevechtsvliegtuigen als over fregatten kunnen beschikken, want ze zijn beide cruciaal in eender welk conflict. “Het enige mogelijke uitgangspunt voor zo’n beslissing is de veiligheidssituatie rondom ons. Wie zegt dat gevechtsvliegtuigen niet nodig zijn omdat grote conflicten ons niet langer kunnen bedreigen, zet de veiligheid van de komende generaties op het spel”.

Geopolitieke overwegingen

Vanuit een geopolitieke invalshoek klopt het dat een gewapend conflict, door de globalisering van de belangen, ook een weerslag zal hebben op de Belgische belangen. En het klopt ook dat de buitenlandse politiek, met defensie als sluitstuk, de eerste en laatste verdediger is van onze belangen in het buitenland.

Onder andere toenmalig buitenlandminister Karel De Gucht verklaarde dat de diplomatieke geloofwaardigheid van ons land worden geschaad wanneer de defensie-inspanningen ondermaats zijn. Defensie als stok achter de deur, speelt inderdaad een belangrijke rol in de internationale geloofwaardigheid van een land.

Maar meteen zou het ook duidelijk moeten zijn dat het soortelijk (geopolitieke) gewicht van een land niet bepaald wordt door de diplomatieke inspanningen, noch door defensie, maar door de klassieke geopolitieke machtsfactoren. De grootte van het land, de beschikking over natuurlijke rijkdommen, het bevolkingsaantal en de geschooldheid, de economische prestaties, de militaire capaciteit, … . Wanneer men al deze factoren als ijkpunt neemt, is het duidelijk dat België nooit een belangrijke rol kan spelen in om het even welk gewapend conflict en het dus enkel kans maakt om enig belang te hebben wanneer het zich inschrijft in een groter geheel. Voor België is dat, bij gebrek aan een volwaardig alternatief, de NAVO. En binnen de NAVO is het evident dat de VS de ‘leidende natie’ is.

Holslag maakt zich ook zorgen om de Europese afhankelijkheid van de VS. Een afhankelijkheid die overigens niet zal verminderen door de aankoop van Amerikaanse vliegtuigen. Maar de EU is nooit een volwaardig alternatief geweest. Het eerste initiatief om een Europees Leger op te richten dateert al van 1952 (CED – Communauté Européenne de Defense), maar werd door Frankrijk reeds begraven in 1954. Sindsdien is er nooit nog een aanvaardbaar initiatief geweest. Zelfs het beperkte voorstel van toenmalig premier Guy Verhofstadt om in Tervuren een hoofdkwartier op te richten voor een Europese Defensie werd op schamper gelach onthaald. Naar aanleiding van de zogeheten ‘pralinetop’ op 29 april 2003 verzetten de trans-Atlantische leden, waaronder het Verenigd Koninkrijk en Nederland, zich tegen dit initiatief met als argument dat de EU geen duplicatie van de NAVO moest worden. Een autonoom hoofdkwartier werd gezien als een verspilling van schaarse middelen. Dat laatste was voor de bevlogen dromer-politicus Verhofstadt nooit een argument.

In zijn pleidooi voor een volwaardige defensie met alles erop en eraan geeft nu ook professor Holslag blijk van heel veel voluntarisme.

Internationale samenwerking

Een interessante vraag is of de samenwerking tussen de verschillende nationale legers beter kan georganiseerd worden wanneer elk land in elk domein een bijdrage kan leveren of dat integendeel de (kleinere) landen zich specialiseren in deelcapaciteiten – te land in de lucht of ter zee?

In een nationalistische visie, zoals deze die Holslag duidelijk voorstaat, vindt men het beter dat elk land beschikt over een volwaardige nationale defensie, hoe beperkt die in het geval van België ook zal zijn.

Het nadeel van deze oplossing is dat de middelen voor gecombineerde operaties uit zoveel verschillende landen komen, dat zowel de voorbereiding als de operationele samenwerking moeilijker is. Daarenboven zijn deze landen meestal ook nog zo chauvinistisch ingesteld dat ze ook tijdens de operaties baas willen blijven over hun middelen. VN operaties, die net als NAVO-interventies afhangen van nationale contingenten, hebben reeds meermaals de zwakheden van deze oplossing aangetoond.

Maar het voornaamste nadeel van dergelijke samenwerking tussen nationale legers is dat zowel de overkoepelende commando's als ondersteunende functionaliteiten ontbreken. Daarom worden in de praktijk alle recente militaire operaties uitgevoerd onder het commando van een ‘leading nation’. En dat dit vooral de VS is, heeft alles te maken met de onmacht van Europa, dat militair nauwelijks iets voorstelt.

Specialisatie betekent inderdaad dat kleinere landen een deel van hun defensie toevertrouwen aan bondgenoten. Waarom zou dat een probleem zijn? Vandaag kan België evenmin zijn buitenlandse belangen militair verdedigen en dat weet Holslag vanzelfsprekend ook wel. Wie echt op internationaal niveau wil meedoen kan alleen maar kiezen voor internationale samenwerking. Een BE-NL samenwerking ligt in de lijn van deze logica. Maar ook dan dienen kosten en baten afgewogen te worden.

Militaire principes en regels

Wanneer men zoals Holslag een volwaardige defensie wil organiseren dan betekent dit dat we ons laten leiden door de principes van de krijgskunst. Immers, elke tekortkoming zal door de tegenstander afgestraft worden en kan alleen maar leiden tot veel bloedvergieten ‘umsonst’.

Holslag ziet vooral de bedreiging en een gordel van instabiliteit die zich uitstrekt van Zuid-Oost Azië over het Midden Oosten tot aan de Westkust van Afrika. Op basis van het principe van de evenredigheid der krachten lijkt een gewapend conflict in deze uitgestrekte regio niet direct op maat gesneden voor een autonome Belgische militaire interventie. In Rwanda hadden we zelfs niet de moed om een vuist te maken tegen de aan gang zijnde volkerenmoord.

Maar toch moeten we voor deze meest waarschijnlijke bedreiging kunnen beschikken over fregatten en gevechtvliegtuigen. Fregatten zijn bij uitstek de middelen om het principe van de ‘vrijheid van handelen’ te respecteren. Hierbij geldt de regel dat de communicatielijnen moeten gevrijwaard blijven. Wie op basis van dit principe en de afgeleide regels de behoefte aan fregatten zou willen berekenen mag dat doen. Alleen wil ik erop wijzen dat alleen al voor de beveiliging van onze handelsvloot tegen de piraterij vanuit Somalië een gecombineerde ‘Task Force 151’ nodig was en en de operatie Atalanta gecoördineerd wordt door afgevaardigden van de NAVO, EU en de Combined Maritime Forces (CMF). Welke rol België daarin speelt laat zich raden. Overigens lijkt het voor de burgermaatschappijen niet altijd goedkoper om militairen aan boord te hebben in plaats van een privé veiligheidsdetachement.

Wanneer wij ons zouden specialiseren in één of enkele capaciteiten, is de kans groter dat wij met deze specialiteit meer opvallen binnen een internationale troepenmacht dan met een marginale bijdrage in meerdere capaciteiten. Iets wat we overigens sinds de Koreaanse oorlog in 1950 nooit meer aankonden. Wie ons internationaal imago op een geloofwaardige manier wil ondersteunen, heeft er baat bij om op te vallen in een beperkter domein dan irrelevant te zijn in het geheel van de capaciteiten. Net zoals het beter is om de krachten te bundelen en prominenter aanwezig te zijn in één enkele operatie dan onopgemerkt deel te nemen aan verschillende (gelijktijdige) operaties.

Defensiebudget ontoereikend

Het zal vooral luchtmachteneraals aangenaam in de oren klinken om vanuit academische hoek steun te krijgen voor een volwaardige luchtgevechtcapaciteit. Net nu een beslissing ter zake moet genomen worden, is het alvast meegenomen dat de grote baas van defensie, Generaal vlieger Gerard Van Caelenberge, een luchtmachtgeneraal is. Vanuit zijn eigen ervaringen zal hij ongetwijfeld minder graten zien in de achteruitstelling van de programma’s voor de andere defensiecomponenten. Momenteel circuleert een bericht van oud luchtmachtstafchef Alex Moriau - die zijn opleiding kreeg in de VS en er ook aan het ‘staff college’ studeerde - waarin hij ‘Oranje’ feliciteert met de in ontvangstneming van de eerste Lockheed F35A. Duidelijk de natte droom van de luchtmachttop.

Maar eens geconfronteerd met de budgettaire werkelijkheid zal ook de meest fervente voorstander van een volwaardige luchtmacht – 40 nieuwe ‘fighter-bombers’ volgens defensieminister De Crem - moeten toegeven dat deze uitgave groter is dan het dubbele van het jaarlijks totaalbudget van defensie. Zelfs met een gespreide betaling betekent dit dat er zal moeten gesneden worden in alle andere programma’s. En ik hoorde nog geen enkele politicus pleiten voor een hoger defensiebudget.

Technisch valt er wel veel te zeggen voor een voldoende groot aantal vliegtuigen. Maar het is duidelijk dat de keuze dan niet kan vallen op de dure F35 maar op goedkopere alternatieven. In een eerder gepubliceerd artikel over de vervanging van de F16 gevechtsvliegtuigen (link) wezen we op de mogelijkheden van een nieuwe versie van de F16 als opvolger. Ook andere alternatieven zouden omwille van de beperkende budgettaire middelen eveneens in overweging moeten genomen worden. De Zweedse Saab Gripen heeft alvast enkele interessante troeven, waaronder de kostprijs, maar laat zich minder gemakkelijk integreren in een Navo-samenwerking.

Momenteel stelt zich het probleem van de fregatten niet vermits we nog niet zo lang geleden twee oude maar gerenoveerde Nederlandse fregatten kochten. Ooit zal ook hier de vervanging zorgen voor een hernieuwd gebakkelei. Met de roep om ons te specialiseren.

Politieke geloofwaardigheid

Holslag heeft het in zijn artikel over het cynisme bij de politici: “Het zou van veel partijen trouwens bijzonder cynisch zijn om de jonge generaties eerst op te zadelen met een kreupele economie, om hen dan vervolgens ook een basisverzekering tegen belangrijke veiligheidsrisico’s te ontzeggen”.

Rekening houdend met de realiteit heeft deze vermanende uitspraak nauwelijks betekenis tenzij ze gelezen mag worden als een aansporing om het defensiebudget te verhogen. Alleen dan zal België zijn NAVO- en Europese partners kunnen overtuigen van haar loyaliteit.

Helaas is dat zelfs geen vraag, laat staan dat de politieke wereld er vandaag een antwoord op heeft. De politieke wereld is ook in het defensiedomein hopeloos verdeeld. Terwijl Vlaamse defensiekringen vooral het NAVO-lidmaatschap ondersteunen, leeft in Wallonië, onder Franse invloed, eerder een NAVO-ressentiment. Vooral ten aanzien van het Amerikaanse leiderschap. Toen Flahaut minister van defensie was, leidde dat zelfs tot een hilarisch veto tegen het overvliegen van Amerikaanse vliegtuigen ten tijde van de oorlog met Irak.

Dat Verhofstadt en zijn Paarse coalitie van België het wereldgeweten tegen oorlogsmisdaden wilde maken, en zo ook VS defensieminister Rumsfeld bedreigde, toont aan hoe politici zichzelf soms belachelijk maken. Hoe zouden wij onze belangen op een geloofwaardige diplomatieke en militaire manier kunnen ondersteunen als de regering, eerste minister op kop, zich ten aanzien van onze voornaamste militaire bondgenoot zo arrogant opstellen?

Damm it if you do, and damm it if you don’t

Hoewel de Lockheed lobby-machine, inclusief een kern van fervente voorstanders in de Wetstraat en binnen Defensie, de indruk wekt dat de Lockheed F35 de enige goede keuze is, heeft ons land wel degelijk de mogelijkheid om te kiezen welk vliegtuigtype het best geschikt én betaalbaar is.

Andere landen die blindelings in het programma gestapt zijn, zitten nu – onder meer door de lange ontwikkelingstijd en de oplopende kosten – vast aan hun premature politieke keuze. Nederland, Zuid-Korea, Noorwegen en Denemarken staan voor een onmogelijk dilemma: damm it if you do, and damm it if you don’t.

Deze landen hebben reeds heel veel geïnvesteerd in het programma. Een bron schat die uitgaven op 1 miljard USD en dat zijn ze kwijt als ze afhaken: damm you.

Maar voortdoen betekent daar bovenop ook nog eens de echte kost betalen. Voor NL wordt nu reeds uitgegaan van minimum 4,5 miljard euro, en de finale kost kan nog een stuk hoger liggen: Damm you if you don’t

Onvermijdelijk rijst de vraag of de keuze voor de F35 binnen een samenwerkingsverband met Nederland niet in tegenspraak is met goed bestuur. Ook de vraag of internationale samenwerking ook betekent dat men verplicht is mee te stappen in een aankoop die op zijn minst vatbaar is voor veel kritiek, kan niet meer vermeden worden.

De keuze tussen goed bestuur of internationale samenwerking wordt dus ook voor de Belgische politieke wereld een damm it if you do and damm it if you don’t.

Dwarsligger

Artikel in DS “Koop die gevechtsvliegtuigen” door Jonathan Holslag, http://www.standaard.be/cnt/dmf20131215_00888655