Print
Hits: 1207

LampedusaDe ramp met Afrikaanse vluchtelingen nabij het eiland Lampedusa beroerde heel even de gemoederen. Tot de Rode Duivels de media veroverden. Weg Lampedusa. Onze analyse.

 

 

Het zoveelste signaal 

Onder de vele commentaren over de dramatische verdrinking van een grote groep vluchtelingen nabij het Italiaanse eiland Lampedusa, viel mij een bijdrage van Tinneke Beeckman in DS (07/10) op. Daarin haalt ze de ervaringen aan van Rony Brauman, gewezen voorzitter van Artsen Zonder Grenzen. Diens ontslag als voorzitter was het gevolg van zijn persoonlijke terreinervaringen waarover Beeckman schrijft: “Tijdens de Ethiopische hongersnood eind jaren tachtig bouwde Brauman tentenkampen en veldhospitalen. Tot hij besefte dat de Ethiopische regering onder het mom van een humanitaire ramp gedwongen volksverhuizingen organiseerde, en mensen ertoe aanzette hun land te verlaten. UNHRC food Mission to Sam Ouandja

Toen Brauman die stalinistische logica inzag, meende hij dat zijn goed bedoelde hulp was ontaard in medewerking aan massaal georganiseerd geweld. Voortwerken betekende de objectieve bondgenoot worden van criminelen. Brauman wou zijn verantwoordelijkheid niet langer ontlopen. Die kampen verder uitbouwen impliceerde elk kritisch denken opschorten en de verantwoordelijkheid doorschuiven naar een hoger, abstracter niveau (de Verenigde Naties, de Europese Unie)”.

Beeckman besluit haar bijdrage met: “Wie er dus van overtuigd is door acties het probleem van het kwaad te ontlopen, dreigt een jonge Brauman te worden: met de beste bedoelingen participerend aan een criminele logica, die de idealistische activist slechts ter plekke begrijpt. Zelfs voor wie wegkijken geen morele optie vindt, blijft doordacht handelen een aartsmoeilijke opdracht”.

Indien drama’s zoals Lampedusa wel echte  impact zouden hebben in plaats van rituele symboliek voort te brengen die bol staat van de politiek correcte hypocrisie, dan zouden ze veel meer teweegbrengen dan een mediatieke opstoot en veel pathetisch gepraat in hooggestemde vergaderingen. Dan zouden alle voorgaande drama’s al ten minste gezorgd hebben voor een debat ten gronde. Een debat over de vraag waarom zoveel mensen zulke grote risico’s nemen om hun land en familie te verlaten.

Humanitaire hulp kan dodelijk zijn

Het wedervaren van Rony Brauman deed mij terugdenken aan de twee opdrachten waar ik als militair aan deelnam en die ook bij mij fundamentele vragen deden rijzen over de humanitaire acties van officiële instanties en NGO’s: in 1992 was ik bevelhebber van de Genie-eenheid die in opdracht van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen (UNHCR) een kamp voor 2.500 vluchtelingen bouwde in Kroatië. Eind 1994 was ik als stafchef van het Belgische detachement in Somalië (Kismayo) een ‘bevoorrechte’ getuige van misbruiken waar de UNO blind voor bleef. Een poging om mijn ervaringen van die tweede operatie te publiceren in De Standaard, werd afgewezen, zodat ik moest terugvallen op mijn weblog Anders Gelezen

U herinnert zich ongetwijfeld nog  de foto van een uitgehongerd stervend Somalisch kindje dat wereldwijd de media haalde en de trigger werd voor een VN-interventie. Maar wat er met de massale voedselhulp gebeurde, daar lazen we niets over. In werkelijkheid werd een groot deel van de voedselhulp afgeleid door de vechtende clans die het voedsel vervolgens verkochten en met dat geld wapens en munitie betaalden. African soldier

Wie niet tot de heersende clan behoorde, mocht rustig creperen. De vertegenwoordigers te velde van het WFP (World Food Programme) keken lijdzaam dan wel bewust weg. Zo werd een officiële VN-instantie ongewild cosponsor van een clanoorlog die voornamelijk draaide om het vele geld dat er te verdienen viel met allerlei criminele activiteiten, vooral de wapen- en drugshandel (Qat).    

Culturele verschillen aanvaarden

In Somalië besefte ik voor het eerst hoe groot de culturele kloof is tussen de ‘beschaafde’ wereld en de Afrikaanse leefwereld (in dit geval deels islamitische bevolking).

Bij het lezen van de recente bijdrage van Eddy Daniels over slavenarbeid in Qatar, dacht ik terug aan de Bantoes in Somalië, die als slaven werkten in de Juba-vallei ten Noorden van Kismayo. Een vallei die door haar uitgestrektheid en vruchtbaarheid twee oogsten per jaar kan leveren en elke hongersnood kan voorkomen. Tenminste, als de bevolking zelf niet zou vechten en de waterputten saboteren. Daar werkten vooral Bantoes, beresterke kerels die – door Somali’s die niet eens tot hun schouders reikten - werden behandeld als slaven en daar blijkbaar vrede mee namen.

Ook het denken en omgaan met de dood was een opvallend cultureel verschil. De risico’s op overlijden worden door Europeanen die een welvarend leven leiden ervaren als dramatisch. Wij hebben inderdaad veel te verliezen. Veel erger dus dan voor sukkelaars die nauwelijks iets te verliezen hebben en bereid zijn grotere risico’s te nemen. 

Het verklaart gedeeltelijk de emotionele maar tegelijk vrijblijvende reacties op drama’s zoals Lampedusa. Het enige waar we vanuit onze luxueuze situatie toe in staat zijn, is financiële steun geven aan symptoombestrijding via humanitaire hulp. Over wat er kan gedaan worden, denken we liefst niet na.

Indien we echter zouden aanvaarden dat de dood in veel Afrikaanse landen een alledaags feit is, dan zouden we ook beter begrijpen waarom Afrikanen die risico’s nemen. Dan zouden we misschien ook beseffen dat ze heel goed weten dat ze zichzelf in gevaar brengen en het ons niet kwalijk nemen wanneer het verkeerd loopt. Het negeren van dit cultuurverschil is ook de oorzaak waarom beleidsverantwoordelijken enkel de mensenhandelaars viseren die grof geld verdienen aan deze vluchtelingen, terwijl de regimes waarvoor ze vluchten buiten schot blijven. 

Dweilen met de kraan open

Toen het Schengen-akkoord een binnenlandse ruimte zonder grenzen creëerde, werd de last van de immigratie afgewenteld op de ‘grensstaten’. Schengen werd een schaamlap om bij elke ramp met onbegrip te reageren op de situaties in deze landen. Oostenrijk werd na de val van de Berlijnse muur overspoeld door economische vluchtelingen uit het Oostblok. Het resulteerde in de opkomst van extreem-rechts.

In Griekenland doet zich nu hetzelfde fenomeen voor en toch slagen de landen die door dit akkoord minder problemen kennen, waaronder België, er enkel in om met opgeheven vingertje de racistische opstoten in die probleemregio’s te bekritiseren. Herinner u de hetze die buitenland minister Michel en defensieminister Flahaut ontketenden omdat de Oostenrijkse bevolking het aangedurfd had om voor extreem-rechts te kiezen: we mochten er niet meer gaan skieën.

Vanzelfsprekend moeten bootvluchtelingen in nood geholpen worden. De vraag is echter wat we met de geredden moeten doen: opnemen of ze terugsturen. In het eerste geval stimuleren we de aan gang zijnde exodus, in het tweede geval – hoe erg ook – kunnen we deze vluchtelingenstroom ontmoedigen. Geen eenvoudige keuze, maar wordt het niet tijd hierover het debat te voeren?

Door méér reddingsacties te organiseren – op zichzelf een absoluut humanitaire opdracht – bevorderen we precies wat we eigenlijk niet willen: het aanzuigeffect nog vergroten. Eenmaal de vluchtelingen zich bevinden op Europees grondgebied, laten mensenrechtenregels ons geen keuze meer. Dan start een jarenlange procedure met een onzekere uitkomst, erkenning of illegaliteit.

De keuze van België om in 1992 Bosnische vluchtelingen zo dicht mogelijk bij het conflictgebied op te vangen – in Savudrija, Istrië – was daarom een goede oplossing. Veel beter dan deze vluchtelingen naar ons land te halen. Waardoor  de band met hun thuisland verwatert en ze letterlijk en figuurlijk uit het beeld van de internationale gemeenschap zouden verdwijnen.   

De ware schuldigen

Onafgezien de keuzes die Europa naar aanleiding van het drama in de Middellandse Zee maakt, blijft het dweilen met de kraan open zolang de oorzaak van de exodus niet wordt aangepakt: corrupte Afrikaanse regimes en het oprukkend moslimfundamentalisme. Dat weten alle politici. Alleen kan of wil niemand een Afrikaanse visie op lange termijn ontwikkelen die de nefaste politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de postkoloniale periode kunnen ombuigen. In sommige landen evolueert de toestand gunstig maar in andere landen blijven potentaten zich krampachtig vasthouden aan de macht of dreigt dan weer het toenemend gevaar van het moslimfundamentalisme.

Wat we vaststellen is dat de wereldleiders Afrikaanse leiders geld toestoppen (ontwikkelingsgelden notabene), omwille van onmiddellijk geldgewin. In koloniale tijden werd tenminste naast het leegroven van de bodemschatten ook nog aan structureel maatschappelijk werk gedaan – ook en soms vooral – door de vaak verguisde christelijke missies.

Een dramatisch voorbeeld is de Democratische Congolese Republiek. Daar raakte zowel de basisinfrastructuur, het onderwijs als de gezondheidszorg onder Mobutu in verval. Laurent Kabila senior erfde in 1996 een puinhoop, maar veel heeft zijn zoon Joseph Kabila junior daar nog niet aan gedaan, behalve zich aanschurken tegen de Chinezen.

Afrika overlaten aan de Chinezen is geen goed idee, want ook bij hen speelt opportunisme een grote rol. Een Europese aanwezigheid die Afrikanen ter plaatse helpt om hun eigen lot in handen te nemen zou voor verschillende landen een betere optie zijn. Misschien zou zelfs een moderne vorm van missionering het middenveld zowel spiritueel als economisch kunnen stimuleren.          

Islamisering als christianofobie

Naast de desastreuze economische situatie in Afrika, worden vooral Oost- en Centraal-Afrika bedreigd door een fundamentalistische islamisering. De wereldwijde explosie van groepen minderheden die de sharia voorstaan zou ons stilaan moeten doen nadenken over de bescherming van onze eigen waarden. Het imperialistisch denken van de moslimfundamentalisten is veel ouder en veel gevaarlijker dan het terrorisme. Daarop reageerden de Verenigde Staten – wegens enkele duizenden doden in hun eigen land – met de grote middelen. Maar zowel de VS als de EU bieden nauwelijks verweer tegen het sluipend fundamentalisme dat miljoenen mensen bedreigt in hun cultuur en elk spiritueel/religieus leven buiten het fundamentalistisch denken onmogelijk maakt. In delen van Nigeria is er een ware christenvervolging aan de gang, die hier nauwelijks de pers haalt. Christianofobie mag blijkbaar, maar islamofobie zou een misdaad zijn.

De falende plattelandsontwikkeling

De nochtans omvangrijke ontwikkelingshulp heeft nooit de investeringen tijdens de kolonisatieperiode kunnen vervangen. Dat bewijst onder meer de exodus die nu veel groter is. De immigratie van de plattelandsbevolking naar de steden zorgde voor een verarming. Wie vooruit wilde zag de stad als een tussenstap naar het buitenland. Zij willen niet solidair zijn in de armoede, maar rijk zijn, minstens zo rijk als de ontwikkelingshelpers die betere schoenen dragen, in een jeep rijden en zich whisky kunnen veroorloven. Op het platteland blijven de sukkelaars over.

‘Brain drain’ is voor de toekomst van elk land een zware aderlating. Ook al sturen deze emigranten veel gled naar hun achtergebleven families, het verdwijnen van de beste krachten kan niet goedgemaakt worden door deze steun noch door ontwikkelingshulp. In het beste geval kunnen officiële organisaties en NGO’s deze elite opvangen in tijdelijke programma’s maar daar wordt de plattelandsontwikkeling niet beter van. Het wordt een circuit dat vooral zichzelf bedient. Studies in het buitenland resulteerden al evenmin in een nieuwe elite die zich ten dienste stelde van hun oorspronkelijke gemeenschappen. Integendeel het vergrootte de kloof tussen deze emigranten en zij die achterbleven. Is het een stap te ver om daaruit te besluiten dat al die ontwikkelingsinspanningen eigenlijk gefaald hebben? Dat de voornaamste doelstelling, de bevolking een toekomst bieden in eigen land, niet gehaald werd en dat meer van hetzelfde ook niet zal helpen.

Blijf er weg of doe iets ten gronde

Er zijn niet veel mogelijkheden om duurzame oplossingen te vinden voor dit allesomvattend maatschappelijk probleem, dat zoveel complexe facetten kent. Maar één ding staat vast: willen we nog meer drama’s vermijden, dan kunnen we niet langer de uitzichtloze situatie in vele Afrikaanse landen negeren. We hebben er allemaal belang bij dat deze landen een menswaardig bestaan bieden aan hun inwoners. En als we niets ten gronde willen doen, dan blijven we er beter weg. Beter dan de hoofdverantwoordelijken voor de ellende te blijven pamperen.

Tegenover het wegblijven uit die landen staat een alternatief: een actieve desnoods agressieve politiek voeren tegen elk bewind dat oorzaak is van de exodus. Wanneer men Griekenland onder curatele stelt, waarom dan niet de Afrikaanse landen die het nog zoveel slechter doen?

Het is geen kwestie van wegkijken maar een probleem dat zo oud is als het bestaan zelf van de Verenigde Naties, achtenzestig jaar dus (officiële oprichtingsdatum 24 oktober 1945). Toen werd immers de keuze gemaakt voor een bijna absoluut zelfbeschikkingsrecht van de staten.

Na een toespraak van voormalig VN vice-secretaris-generaal, de Vlaamse professor Eric Suy, aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie, draaide de discussie precies om deze keuze. Het is immers deze regel die vooral door China en Rusland worden aangegrepen om niet tussen te komen in landen waar de bevolking geterroriseerd of economisch gewurgd wordt.

Zelfs wanneer bevolkingsgroepen worden uitgemoord en een interventie volgens het VN-Charter (Hoofdstuk VII) wel mogelijk is, blijft men die verantwoordelijken beschermen. De oprichting van het Internationaal Tribunaal in Den Haag om ten minste achteraf de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen is een goede zaak. Maar het volstaat niet om drama's te voorkomen. Er is meer nodig: een maatschappelijk debat over mogelijkheden om preventief op te treden tegen staten die een beleid voeren dat nefast is voor het welzijn van hun eigen bevolking. Een belangrijk criterium zou dan precies de exodus kunnen zijn.

Wie hiervoor pleit moet ook beseffen dat dit nooit beperkt kan blijven tot militaire opdrachten. Meer zelfs, dat militair ingrijpen de lokale spanningen alleen tijdelijk onderdrukt. De voorbeelden van militaire interventies die uiteindelijk niet het beoogde doel bereikten – de vrede herstellen - liggen voor het rapen: Cambodja, Somalië, Rwanda en Oost-Congo, Irak, Afghanistan, Libië, …  

In elk geval lijkt het mij evident dat potentaten die de democratie geweld aandoen zich niet kunnen beroepen op democratische regels om hun misdaden tegen de mensheid ongemoeid te laten. Extremistische noch dictatoriale regimes (al dan niet islamitische) mogen geen vrije baan krijgen. Er zijn oorlogen gevoerd voor veel minder nobele doelen.

Dwarsligger