Print
Hits: 22602

Pisa reportlDe ervaringen met het onderwijs in Duitsland zijn bijzonder interessant, omdat de 16 Bundesländer ieder zelf vrij hun onderwijs gestalte kunnen geven. Ze doen dat op een vrij divergerende wijze. Daardoor wordt vergelijking mogelijk die toont welke methode tot de betere Pisa scores voert.

Op het einde van het volgend artikel komt de schrijfster, Regina Mönch, tot de conclusie dat de deelstaten met de grootste ‘hervormingsdrift’ steevast aan de staart bengelen. Ze trekt daar geen conclusies uit. Wij willen hier echter de vraag stellen: voelen ze zich tot hervorming gedwongen omdat hun resultaten zo slecht zijn, of zijn hun resultaten zo slecht omdat ze zo heftig hervormen? Dat doet natuurlijk aan de klassieke vraag over de kip en het ei denken, maar… er is een uitweg.

Reeds twee jaar geleden toonden we in een artikel dat er een statistisch significante correlatie bestaat tussen de politieke samenstelling van het deelstaatparlement en de Pisa score: hoe linkser hoe slechter. We kunnen er dus ernstig van uit gaan dat de progressieve reformdrift aan de basis van de verslechterende resultaten ligt. Nu niet dat ik zou verwachten dat iemand hier te lande dat ook maar ter kennis zal willen nemen, laat staan er conclusies uit trekken voor onze eigen onderwijspolitiek. Maar als verantwoordelijke burgers moeten we blijven proberen.

Hier komt de analyse van mevrouw Mönch, vertaald uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 7 december 2016

De belangrijkste conclusie die we uit de nieuwe Pisa studie zouden kunnen trekken is wellicht: Laat de scholen nu eens eindelijk met rust.

De krantenkoppen die deze zesde Pisa studie voorafgingen voorspelden niet veel goeds. Ze hadden het over een zware terugval voor Duitsland. Dat heeft zich gelukkig niet gematerialiseerd. Een zekere mate van paniek heeft die wereldwijde vergelijking van de schoolprestaies der vijftienjarigen hier van in het begin begeleid, wat minder met de daadwerkelijke resultaten te doen had dan met de herinnering aan Pisa I.

Toen, vijftien jaar geleden, werd onmiddellijk een onderwijscatastrofe uitgeroepen, omdat de Duitse resultaten heel anders uitvielen dan verwacht: middelmaat en erger. Het zelfbeeld van een natie was geschokt, waarbij deze Pisa studie de eerste was waaraan Duitsland deel nam. Tot dan toe werd hier over de school en haar doelen vanuit een toestand van onschuld gedacht en gesproken. Het kon voorkomen dat een leraarsvakbond een schooldirectie voor de rechtbank daagde, omdat ze het gewaagd had de resultaten van het leerbedrijf door experten te laten meten. Buitenstaanders, zo luidde de ijdele overtuiging, hadden in Duitse klaslokalen niets verloren.

Dat is allemaal lang geleden en ondertussen is testen routine geworden. Deze Pisa studie is de derde test binnen een maand tijd, en omdat de resultaten in het algemeen positief uitgevallen zijn, kon de choquerende realiteit van de vergelijking der resultaten van leerlingen der negende klas (dat zou bij ons de afsluiting van lagere cyclus van het middelbaar onderwijs zijn) in verschillende deelstaten weer in de achtergrond verdwijnen. Ter herinnering: niet eens de helft van de leerlingen haalden voor Duits en Engels de eindtermen voor het lager middelbaar onderwijs. De groep die beneden de maat bleef was, weliswaar met enige regionale verschillen, verontrustend talrijk. Duizenden van die jongeren kunnen, als niet snel iets ondernomen wordt, spoedig de in ieder geval al te grote groep der functionele analfabeten in Duitsland komen versterken.

Met de zesde Pisa studie kan Duitsland er prat op gaan zich continu verbeterd te hebben. De aangekondigde terugslag was minimaal. In de kleine lettertjes zien we dan toch weer verschillen. Deze keer deden de middelbare scholieren van het algemeen vormend onderwijs het slechter in natuurwetenschappen. Er is nog niet precies geanalyseerd waaraan dat ligt. Een van de redenen is zeker dat de klassen voortdurend heterogener worden en dat steeds meer kinderen met diverse maten van geschiktheid in het algemeen vormend middelbaar onderwijs opgenomen worden. Duitsland heeft het ook te lang verzuimd topprestaties te stimuleren. Nu is de al kleine groep die buitengewoon presteert nog kleiner geworden. Dat heeft vooral ideologische redenen: de gelijkheidswaan tot iedere prijs, wat onzin is, want de school is en blijft een systeem dat verschil schept en niet gelijkheid. De groep van bijzonder zwakke presteerders is, in de internationale vergelijking, tamelijk stabiel gebleven, wordt trots verkondigd. Maar iedere vijfde leerling is daar bij. De vergelijking tussen de Bundesländer toon dat deelstaten met een stabiel conventioneel schoolsysteem beter scoren, terwijl de hervormingsijveraars, voorop Berlijn, aan het einde van de tabel blijven hangen. En dus zou een gezonde, weldoende conclusie kunnen zijn: laat de scholen nu eens met rust en laat ze gewoon hun werk doen.