DW09Gastauteur Harry van der Horst: Het begin van de periode na de Koude Oorlog en de OVSE. Dit artikel werd gepubliceerd in Carré op 22 december.

De Val van de Muur

De Berlijnse Muur ‘viel’ op 9 november 1989, als apotheose van een al jarenlang durende maatschappelijke ontwikkeling in de toenmalige Oostbloklanden. Het was een mijlpaal in de wereldgeschiedenis na de Tweede Wereldoorlog en daarna ving mondiaal een periode aan zonder precedent, waarvoor geen afspraken golden en waarbij geen eenheid van opvatting bestond. In het Westen ontbrak het in ieder geval aan een breed gedragen visie, in tegenstelling tot de concrete ideeën in het Kremlin over de geopolitieke toekomst. De dialoog die hiervan het gevolg was leek daardoor enigszins op het gesprek tussen doven. Hetgeen verstrekkende gevolgen heeft gehad.

De relatie tussen de Russische Federatie (RF) en ‘het Westen’ laat tegenwoordig veel te wensen over. Er was enige tijd sprake van een ‘charmeoffensief’ van de Russische regering t.o.v. het Westen, in een poging serieus te worden genomen en erkenning te krijgen voor haar aanspraken op supermacht status. Een charmeoffensief dat in ieder geval geduurd heeft tot en met de Olympische Winterspelen in Sotsji in februari 2014; we herinneren ons nog ons koninklijk echtpaar ter plaatse met glazen bier in de hand in gezelschap van de Russische president Vladimir Vladimirovitsj Poetin. Ergens daarna in 2014, waarschijnlijk na het neerschieten van vlucht MH-17, werd de houding van de Russische regering assertiever t.o.v. het Westen, volgens sommigen agressiever. De verwijten over en weer werden harder, waarbij een deel van het wederzijdse ongenoegen is terug te voeren op verschillende interpretaties van al of niet gemaakte afspraken na afloop van de Koude oorlog. Dit artikel beoogt een beschrijving en interpretatie te geven van de periode direct na de Koude Oorlog, met name wat het betekende voor de inrichting van het toekomstige Europa. Daarbij zal ik mij vooral concentreren op de jaren 1989 en 1990. Ik gebruik hierbij o.a. het in december 2017 uitgebrachte rapport van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) ‘The Road to the Charter of Paris’1.

 DW01

Uitgangspositie

 

Als uitgangspunt volgen hieronder enige historische feiten.

  • Na een aanvankelijke stroeve relatie tussen de Amerikaanse president Ronald Reagan en de secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie (CPSU) Michail Sergejevitsj Gorbatsjov, hadden beide leiders in 1987 het Intermediate-Range Nuclear Forces (INF) wapenbeheersingsverdrag (WB-verdrag) getekend, dat op 1 juni 1988 in werking trad. Voor onbeperkte duur. Om een aantal redenen, vooral de zware financiële lasten van de wapenwedloop, was het verdrag voor beide partijen opportuun. Op het moment van schrijven van dit artikel, oktober 2018, heeft de Amerikaanse president Donald Trump het voornemen tot terugtrekking uit het verdrag door de VS aangekondigd.

    DW02

  • In januari 1989 trad George Herbert Walker Bush (hierna: ‘Bush Senior’) aan als 41-ste president van de Verenigde Staten. Hij volgde in die functie Ronald Reagan op.

  • Gorbatsjov werd in 1990 president van Sovjet-Unie (SU), naast zijn hoedanigheid als secretaris-generaal van de CPSU. Beide functies bekleedde hij tot 1991.

  • Eind tachtiger jaren stond nog een aantal grote wapenbeheersingsakkoorden (WB-akkoorden) in de steigers, die na kortere of langere tijd in werking traden.

    • CSE tussen Warschaupact (WP) en NAVO: het verdrag inzake Conventionele Strijdkrachten in Europa2.

    • Weens Document. Een veelomvattend document van alle landen die bij de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE3) waren aangesloten. Het regardeerde ‘Veiligheid in Europa’, met veiligheid en vertrouwen bevorderende maatregelen.4

    • Open Skies. Een verdrag met 24 deelnemende landen5 van WP en NAVO. Dit verdrag regelt het overvliegen van elkaars grondgebied en het maken van foto’s en video’s van elkaars militaire installaties.

    • Verdrag Chemische Wapens. In totaal 165 landen hebben dit verdrag uiteindelijk ondertekend. Het regelt het verbod op gebruik en verspreiding van chemische wapens. De tenuitvoerlegging van dit verdrag is in handen van de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (OVCW)6.

  • Bij elkaar vormen deze wapenbeheersingsafspraken waarschijnlijk het meest transparante militaire verificatiestelsel dat de wereld ooit heeft gezien. Ze zijn sterk gericht op het terugbrengen van aantallen hoofdwapensystemen7, het uitwisselen van informatie over sterktes van strijdkrachten en het verifieerbaar maken van die informatie. Zij dragen een sfeer van optimisme in zich, mede als gevolg van diverse conferenties over de toekomst van Europa, beginnende in 1972 in Helsinki8 en gestimuleerd door de met moeite tot stand gekomen vertrouwensrelatie tussen Reagan en Gorbatsjov9.

 

DW03

 

Toekomstvisie in het Westen

De Koude Oorlog-situatie hield de facto eind 1989 op te bestaan. Echter zonder dat er een formeel vredesverdrag tussen Oost en West werd gesloten, of dat er sprake was van een andere vorm van een formele ‘post-Cold War settlement’. Ondanks dat overheerste in het Westen, vooral in de VS, de stemming dat het Westen de Koude Oorlog had ‘gewonnen’ en het Oosten deze had ‘verloren’. Maar een duidelijke toekomstvisie was er na november 1989 in het Westen niet. Er was desalniettemin een tweetal grote onderwerpen dat in Westerse ogen spoedig opgelost diende te worden.

 DW04

De kwestie Duitsland. Een van de belangrijkste beslissingen voor de internationale politiek die Gorbatsjov heeft genomen was zijn vastberaden besluit tot terughoudendheid om in de Centraal-Europese landen in te grijpen na de ‘Val van de Muur’. Moskou liet deze landen zelf over hun toekomst beslissen. Het werd daardoor onvermijdelijk dat een hereniging van de beide Duitslanden voor het Westen een hoogste prioriteit werd, hoewel zich nog steeds een uitgebreide, goed getrainde en uitgeruste Russische troepenmacht op Oost-Duits grondgebied bevond. Een andere complicerende factor was het gegeven dat Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk (VK) niet zonder meer enthousiast waren over deze hereniging. Prime Minister Margaret Thatcher had om historische redenen bezwaar tegen de eenwording van de beide Duitslanden. President François Mitterrand wilde minder prioriteit geven aan de Duitse hereniging die zou zijn geregeld door de VS en de SU. Hij was groot voorstander van een afsluiting van de Koude Oorlog door Europa zelf. Deze ‘Duitse kwestie’ hing nauw samen met het vraagstuk van de toekomstige (Europese) veiligheidsstructuur.

De veiligheidsstructuur. Als de DDR en de Bondsrepubliek zouden worden samengevoegd tot één Duitsland zou een voormalig WP-lid10 onderdeel gaan uitmaken van de NAVO. Politiek was dat niet zonder meer een gelopen race en de Russische troepen zouden, domweg om praktische redenen alleen al, niet op korte termijn van Oost-Duitse bodem zijn vertrokken. En was het voortbestaan van de NAVO wel zo vanzelfsprekend? Het WP kraakte aan alle kanten en ook de toekomst van de Sovjet-Unie (SU) was uiterst onzeker. Dus het grote gevaar, waaraan de NAVO haar belangrijkste bestaansrecht ontleende, was inmiddels al verdwenen.

Enkele Europese politici gaven de voorkeur aan een alternatief Europees organisatiemodel. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Hans-Dietrich Genscher, was groot voorstander van een nieuwe veiligheidsstructuur zoals de CVSE, dus een politieke alliantie die zich onder meer leende voor het bundelen van Europese veiligheidsbelangen, inclusief de SU. Dit in plaats van de NAVO. Naar de plaats Tutzing in Beieren, waar Genscher zijn idee ontwikkelde bij een tweedaagse bezinningsbijeenkomst van de Evangelische Akademie Tutzing, wordt dit de ‘Tutzingformule’ genoemd. Voor zijn visie ondervond Genscher veel steun van Duitse SPD-mastodont Egon Bahr.

De CVSE had een enkele overeenkomst en veel verschillen met de NAVO. Een overeenkomst was dat beide zich bezighielden met (militaire) veiligheid, maar een verschil was dat de CVSE zich ook bemoeide (en bemoeit, tegenwoordig als OVSE) met de samenwerking op het gebied van ‘Mensenrechten’ en ‘Voortgang in wetenschap, technologie en milieu’. Een kardinaal verschil was voorts dat de NAVO vooral was opgericht11 om het ‘Rode gevaar van het communisme’ te keren. In de CVSE daarentegen was de SU een deelnemend land. Kort gezegd sloot de NAVO de SU uit en CVSE sloot de SU in.

Een belangrijk ander verschil tussen beide, aldus Crump-Gabreëls: “de CVSE was juist opgericht om de tegenstellingen in de Koude Oorlog in goede banen te leiden of zelfs te overbruggen; in ieder geval ontstond het uit een wens om een gemeenschappelijke dialoog over Europese veiligheid te voeren. Daarnaast was het natuurlijk geen bondgenootschap, i.t.t. de NAVO en deden ook neutrale en niet-gebonden landen mee (dus ontsteeg het als zodanig de Koude Oorlog) ….”12.

Genscher had bij zijn plannen niet alleen Gorbatsjov aan zijn zijde, maar werd hierin ook gesteund door Mitterrand, die niet alleen een Europa inclusief de SU voorstond, maar ook exclusief de VS. Dat laatste was een gaullistische gedachte en in lijn met de Franse buitenlandse politiek van na W.O. II. Mitterrand vond het zelfs belangrijker dan de toekomst van de CVSE. Ook de Centraal-Europese landen verkozen aanvankelijk de CVSE boven de NAVO. Bush Senior koos er uiteindelijk voor de toekomst in te gaan met reeds bestaande organisatorische structuren voor de internationale samenwerking, t.w. de toenmalige EEG en de NAVO. Dat laatste dus ondanks het gegeven dat van een communistische dreiging uit het Oosten geen sprake meer was.

Door diverse politici, in het bijzonder Genscher en de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken James Baker, zijn eind 1989 en begin 1990 geruststellende signalen afgegeven aan Gorbatsjov over het niet-uitbreiden van de NAVO verder oostwaarts, na de opname van het voormalige Oost-Duitsland in die organisatie. Maar beiden werden in de eerste maanden van het jaar 1990 snel door hun chefs, resp. Bush Senior en de door hem ‘bekeerde’ Bundeskanzler Helmut Kohl13 redelijk hardhandig ‘naar rechts gericht’. Dit betekende het daadwerkelijke einde van de politieke aspiraties om over een nieuw, onverdeeld Europa te denken en te spreken. Tegen Gorbatsjov werd dat niet zo duidelijk uitgesproken, waardoor deze nog lange tijd in de veronderstelling verkeerde dat het onverdeelde Europa, dus inclusief de SU, een haalbare kaart was. Als Gorbatsjov daarin dus enigszins naïef is geweest, kan er over Bush Senior en Kohl worden gezegd dat zij in de loop van het jaar 1990 Gorbatsjov doelbewust onterecht in de waan hebben gelaten dat alle neuzen dezelfde kant op stonden. Dus in de richting van de realisatie van Gorbatsjovs ideaal: het Gemeenschappelijke Europese Huis, inclusief de SU.

Formeel is er aan Gorbatsjov niets onherroepelijks beloofd, althans niet op het niveau van regeringsleiders. Er was, zoals reeds opgemerkt, ook geen schriftelijk verdrag over de consequenties van de integratie van het voormalige Oost-Duitsland in de NAVO, t.w. geen verdere NAVO-uitbreiding richting Oosten. Maar er waren wel degelijk verwachtingen in die richting gewekt. De media in die jaren speculeerden vrijelijk over afspraken met de SU. Ook betrokken diplomaten gingen er zonder meer van uit dat Gorbatsjov geapaiseerd was over de eenwording van Duitsland met de belofte dat de NAVO zich niet verder oostwaarts zou uitbreiden. Dus formeel gesproken is er geen verdrag of keiharde belofte aan de SU/Russische Federatie gebroken (zoals veel Amerikaanse politici en opiniemakers benadrukken), maar is wel veel vertrouwen beschaamd (zoals o.a. president Poetin bij herhaling graag stelt).

Samenvattend: de VS, onder de president Bush Senior, gaven geen vervolg aan de positieve ontwikkeling in de Amerikaanse relatie met de SU, zoals deze met moeite was gegroeid tussen Reagan en Gorbatsjov. Dit duurde vanaf de ambtsaanvaarding van Bush Senior in januari 1989 een jaar, dus tot begin 1990. Een jaar zonder duidelijk en actief Amerikaans buitenlands beleid. Dit wordt ook wel ‘the lost year’ genoemd14. Intussen continueerden op ambtelijk niveau in verschillende gremia de onderhandelingen over de diverse WB-akkoorden, waarbij de ondertoon het wekken van vertrouwen was, gebaseerd op kennis van feiten over militaire krachtsverhoudingen (zie ook noot 9). De uiteindelijke Amerikaanse keuze voor het handhaven van bestaande structuren is van zeer grote invloed geweest op de geopolitieke situatie in de wereld, in het bijzonder voor Europa. Maar het was zeker geen doelbewuste Europese keuze. Europa liet het zich welgevallen en vertrouwde op de kracht en wijsheid van de ‘grote Amerikaanse broer’.

DW05

DW06

DW07

Toekomstvisie in het Oosten

In de SU werd anders over de (Europese) toekomst gedacht dan in het Westen. Dit verschil van inzicht heeft in latere jaren geleid tot verschillende interpretaties van gebeurtenissen en afspraken uit de periode ’89-‘90.

Het Rusland van de tsaren, de SU en de huidige RF hebben altijd een grote continuïteit in het buitenlandse beleid gekend. Dat gold ook direct na de ‘Val van de Muur’ en dit constante beleid had door het Westen kunnen worden onderkend, wat echter niet het geval was. Het zou veel misverstanden en onbegrip hebben kunnen voorkomen.

In het kort volgen nu de belangrijkste ijkpunten van het Russische buitenlandbeleid, zoals het toen van toepassing was en grotendeels eigenlijk altijd is geweest.

  • Rusland wil erkenning van zijn status als wereldmacht.

  • Rusland heeft het vanzelfsprekende recht als elke wereldmacht om invloed uit te oefenen in de omringende landen.

  • Rusland beschouwt het Westen, en in het bijzonder de VS, als een dreiging.

  • Rusland is tegen een unipolaire wereld, dus tegen een wereld waarin één superstaat de dienst uitmaakt.

Toegepast op de situatie direct na de Koude Oorlog betekende dat concreet het volgende.

  • De SU heeft de Koude Oorlog niet ‘verloren’.

  • Rusland wil zoveel mogelijk van de oorspronkelijke SU behouden, zowel qua grondgebied als qua invloed.

  • Derhalve maakt Rusland bezwaar tegen uitbreiding van de NAVO oostwaarts.

  • Hetzelfde geldt, mutatis mutandis, voor de EEG/EU.

Het is niet overdreven om te stellen dat Gorbatsjov geen begrip heeft kunnen vinden voor zijn standpunten. Hij is destijds misschien te goed van vertrouwen geweest of heeft andere prioriteiten gehad. Binnenslands had hij in ieder geval ook het nodige op te lossen: de wankele positie van de CPSU, de ongewisse toekomst van de Unie, de interne pogingen om zijn gezag te ondermijnen (m.n. door Boris Nikolajevitsj Jeltsin), de economische droevige status quo van de SU en zo nog meer; zijn agenda zal goed vol zijn geweest. Maar in ieder geval zijn NAVO en EEG/EU ongehinderd doorgegaan met het incorporeren van landen die voorheen tot het Oostblok behoorden. Zelfs de Baltische staten, voorheen deel van de SU, traden uiteindelijk toe.

Samenvattend: de SU was gedurende de Koude Oorlog een wereldmacht en wenste ook na 1989 als zodanig te worden erkend, maar kreeg daarvoor geen begrip in het Westen. Voorstellen van de SU/RF voor een Europa inclusief Rusland werden niet serieus genomen. In de Russische beleving is de geopolitiek na 1989 voor wat betreft de relatie met het Westen één lang verhaal van onbegrip, ongeïnteresseerdheid en het meten met twee maten door het Westen.

DW08

Handvest van Parijs voor een nieuw Europa

De eind 1990 bijna een jaar bestaande bedenkingen van Bush Senior en later Kohl over een nieuw Europa inclusief de SU werden echter nog niet aan Gorbatsjov meegedeeld. En daardoor kon op 21 november 1990 het ‘Handvest van Parijs voor een nieuw Europa’ door de toenmalige 35 CVSE landen worden aangenomen. Dit handvest sprak op optimistische toon van een nieuw, ongedeeld en inclusief Europa, gebaseerd op Westerse waarden, met inbegrip van democratie, de rechtsstaat en mensenrechten. Het ‘ongedeeld en inclusief Europa’ betekende o.m.: inclusief de SU.

En daarna ………

Van het optimisme dat het handvest uitstraalde is in de loop van de negentiger jaren en daarna weinig overgebleven, behalve in de hiervoor genoemde WB-akkoorden en bijbehorende inspectieprotocollen. Zoals reeds aangegeven: de SU en het WP werden ontbonden, de voormalige lidstaten werden na kortere of langere duur lid van de EEG/EU en NAVO, of belandden in de wachtkamer voor deze organisaties. De Balkanoorlogen leidden tot veel onrust in de internationale relaties. Opkomende moslimfundamentalisme, met de daaruit voortkomende terreuracties, leidde op zijn beurt weer tot de door de Amerikaanse president George Walker Bush (Bush Junior) uitgeroepen ‘War on Terror’ in Afghanistan (door de VS en later de NAVO) en de inval in de soevereine staat Irak. Aangezien de meerderheid van de leden van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (VNVR) tegen de inval in Irak was en er in ieder geval een Frans veto dreigde, zou er geen sprake kunnen zijn van een onderliggende VN-resolutie. Maar de VS viel Irak binnen met de steun van 40 andere landen, waaronder Nederland (‘geen militaire, wel politieke steun’), tezamen de ‘coalitie van willenden’.

Op geopolitiek terrein was er ook de opkomst van de BRICS-landen: Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, hetgeen de internationale verhoudingen aanzienlijk beïnvloedde. In Rusland werd Gorbatsjov opgevolgd door Jeltsin, die op 31 december 1999 het ‘stokje’ overdroeg aan zijn premier, de pas benoemde Poetin. Na enkele maanden waarnemend president te zijn geweest, werd deze op 26 maart 2000 gekozen tot president.

In de verhouding tussen de RF en Europa heeft Moskou, zoals reeds opgemerkt, altijd gestreefd naar erkenning van zijn aanspraken op wereldmacht status. Het Westen ging ervan uit dat de RF wel zou bijtrekken en een ‘gewoon’ Europees land zou worden. Quod non. De uitbreiding oostwaarts van organisaties als EU en NAVO hebben voortdurend geleid tot krachtige bezwaren vanuit het Kremlin, die echter door het Westen gebagatelliseerd zijn. Wat bij de Russische regering weer leidde tot acties, waarmee in ieder geval de invloed in hun ‘nabije buitenland’ werd (her)bevestigd: Georgië 2008, Oekraïne 2014. Eigenlijk wordt sinds medio 2014 de rode draad in het buitenlandse beleid van de RF gevormd door tal van initiatieven van het soort ‘wie-niet-horen-wil-moet-maar-voelen’. Dit voor de RF constant essentiële uitgangspunt is overigens ook zichtbaar in het Turkse beleid van president Recep Erdogan en het Chinese beleid van secretaris-generaal Xi Jinping, te weten het verzet tegen een unipolaire wereld. De komst van een nieuw staatshoofd in de VS in januari 2017 heeft aan deze situatie niet veel veranderd15.

OVSE

In de jaren na 1990 en vooral de afgelopen 10-15 jaar, zijn er tussen de RF en het Westen veel wederzijdse verwijten geweest over de verschillende interpretaties van onderlinge afspraken en met name gebeurtenissen in Europa. Dat varieerde van het Russische verwijt van woordbreuk door het Westen (uitbreiding EU en NAVO), tot de Westerse beschuldiging van inval in soevereine staten door de RF (Georgië en Oekraïne). Daarbij is er weinig uitzicht op een verbetering van de situatie door wijziging van reeds ingenomen standpunten.

Het kan dan ook een positieve ontwikkeling worden genoemd, dat de OVSE in 2015 de behoefte heeft onderkend aan een zo objectief mogelijke beschrijving van de geopolitieke ontwikkelingen gedurende de eerste jaren na de beëindiging van de Koude Oorlog. De organisatie heeft daartoe in de tweede helft van 2017 twee uitgebreide workshops georganiseerd, waarin 37 ooggetuigen en academici zijn samengebracht, onder wie voormalige ambassadeurs die waren geaccrediteerd bij de toenmalige CVSE. Deze ambassadeurs hebben destijds deelgenomen aan de onderhandelingen over de structuur van het nieuwe Europa, zoals vastgelegd in het ‘Handvest van Parijs’ in 1990. De resultaten van de workshops zijn gesublimeerd in de hierboven genoemde OVSE-publicatie ‘The Road to the Charter of Paris’. Een prominente bijdrage aan deze workshops en de rapportage werd geleverd door Dr. Laurien Crump-Gabreëls, universitair hoofddocent in de Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen en onderzoeker Internationale en Politieke Geschiedenis van de Universiteit van Utrecht.

De toekomst

Met ‘The road to the Charter of Paris’, eind 2017, is een serieuze poging tot zo objectief mogelijke geschiedschrijving ondernomen. Het doel daarbij is van de gebeurtenissen in het verleden te leren en deze waar nodig en mogelijk te relativeren en aldus een bijdrage te leveren tot aangepast beleid. Enkele vragen die destijds geen serieuze en brede aandacht hebben gekregen zullen alsnog moeten worden beantwoord. Bijvoorbeeld de vraag welke veiligheidsstructuur het meeste geschikt is voor Europa. Het voortbestaan van de NAVO in zijn huidige vorm moet daarbij net zo goed aan de orde worden gesteld als dat van de OVSE. En mutatis mutandis: de toekomst van de EU, die zich sowieso ernstig zal moeten beraden op haar toekomst met alle huidige verschillen tussen Noord en Zuid, alsmede Oost en West, op bv. het economische en financiële vlak, maar ook met het oog op de veiligheid en de actuele migratieproblematiek. Om nog maar niet te spreken over de positie van Europa in de rest van de huidige eeuw met opkomende staten, zoals India en China.

Samenwerking binnen Europa zal geen keuze meer zijn: het wordt eenvoudigweg door de ‘boze buitenwereld’ opgedrongen. Daarbij zal het ondergeschikt maken van nationale belangen aan het overlevingsbeleid van het samenwerkende Europese model imperatief zijn. Een ontwikkeling als de Brexit komt in dezen natuurlijk in alle opzichten niet van pas. Maar de gevolgen daarvan zullen moeten worden opgevangen door een gezamenlijke inspanning van alle Europese landen.

Als slotsom meen ik dat de aanzet van de OVSE alleen maar als positief kan worden beschouwd, namelijk om door overleg de impasse tussen Oost en West te doorbreken. Overleg dat is gebaseerd op een eenduidige interpretatie van het verleden en erkenning van wederzijdse mogelijkheden en wensen, zoals aangegeven in het OVSE-rapport van december 2017. Oude vooroordelen zullen het veld moeten ruimen en vertrouwen zal opnieuw moeten worden geschonken. En een beetje moed kan ook goed van pas komen. Dat klinkt bij elkaar als tamelijk veel ‘wishful thinking’, maar veel grote en ingrijpende aanpassingen van de internationale relaties zijn in het verleden alleen maar tot stand gekomen als het resultaat van de combinatie van historische feitenkennis, visie, durf en een goed geproportioneerd eigenbelang.

Europa zal zich centraal moeten plaatsen in de discussie over zijn toekomst en geopolitieke keuzes moeten maken waarbij er niet automatisch van kan worden uitgegaan dat de VS te allen tijde de veiligheid van Europa zullen waarborgen. Het is verstandig om er vanuit te gaan dat op een of andere wijze samenwerken met de Russische Federatie onvermijdelijk en zelfs lucratief kan zijn. Kortom: op naar een sterk Europa, rechtsom of linksom.

 

Lt-Kol b.d. KLu Harry van der Horst

 

De auteur is van 1990 tot 1998 namens Nederland medeverantwoordelijk geweest voor de implementatie van de in het bovenstaande artikel genoemde wapenbeheersingsakkoorden. Van 1998 tot 2003 werkte hij als militair attaché bij de Nederlandse Ambassade te Moskou. In beide hoedanigheden is hij intensief werkzaam geweest in Centraal en Oost-Europa en de Sovjet-Unie/Russische Federatie.

 

Contact: This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

 

1 ’The Road to the Charter of Paris’ Http://osce-network.net/file-OSCE-Network/Publications/RoadtoParisCharterFINALREPORT.pdf

2 In het Engels: Conventional Forces in Europe (CFE)

3 Vanaf 1 januari 1995 ‘OVSE’, toen de ‘Conferentie’ werd omgezet in een ‘Organisatie’

4 Engels: Confidence Building Measures (CBM’s), later kwam ook het begrip Veiligheid (Security) daarbij: Confidence and Security Building Measures (CSBM’s)

5 Inmiddels zijn er 34 deelnemende landen

6 Zowel verdrag als organisatie zijn beter bekend onder hun Engelse afkortingen, resp. CWC en OPCW

7 Hoofwapensystemen zijn: tanks, pantserinfanterievoertuigen, artillerie, gevechtsvliegtuigen en gevechtshelicopters

8 Dit leidde uiteindelijk in 1975 tot de Helsinki Final Act. Daarna waren er tot november 1990 vervolgbijeenkomsten gehouden in Belgrado, Madrid, Wenen en Parijs. Gezien zijn impact werd deze laatste bijeenkomst (in 1990) ook wel ‘Helsinki II’ genoemd

9 De definitieve verdragsteksten die, na ratificatie, vanaf het begin der 90-er jaren (door militairen) werden geïmplementeerd hadden derhalve ook een sterke vertrouwenwekkende werking. Dat is zeker een decennium zo gebleven

10 Het WP is op 1 juli 1991 opgeheven

11 In de woorden van Lord Ismay, de eerste secretaris-generaal van de NAVO: “…..to keep the Russians out, the Americans in and the Germans down”

12 E-mail Dr L.C. Crump-Gabreëls d.d. 18okt18, 16:39 uur

13 In een bijeenkomst van Bush Senior en Helmut Kohl in Camp David op 24 februari 1990 bespraken zij de Russische wensen over de vereniging van de beide Duitslanden. Het letterlijke citaat van de reactie van Bush was: “To hell with that. We prevailed and they didn’t. We cannot let the Soviet snatch victory from the jaws of defeat”

14 David E. Hoffman, ‘1989: The Lost Year’ in Foreign Policy Blog (www.foreignpolicy.com), 4 november 2009

15 Integendeel. Op 25 september jl. sprak de president van de VS de wereld toe in de Algemene Vergadering van de VN en zijn boodschap luidde: ‘Niemand vertelt Amerika wat het moet doen, en de VS werkt alleen nog internationaal samen als het land daar zelf voordeel van heeft’. De vraag dringt zich op hoe de (Westerse) wereld zou reageren als een andere regeringsleider dergelijke taal zou gebruiken. Bijvoorbeeld de president van Rusland