Print

Pisa Math vs GDPGeschreven in 2013 en nog altijd actueel. Ons onderwijs boert achteruit. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de oorzaak bij de postmoderne gelijkheidswaan te zoeken is. Dat inzicht zal zich echter maar moeilijk en zeer schoorvoetend doorzetten.

 

Onderwijs is – voor ons – van existentiële betekenis.

Onderwijs, het voorbereiden van de volgende generatie op een wereld die er vast niet eenvoudiger op wordt, is altijd en voor iedereen een opgave van primordiaal belang. Maar voor ons, hier in België/Vlaanderen, geldt dit nog meer dan elders. Wij hebben geen grondstoffen, geen energie (en kom nu niet af met wind of zon!) en zelfs onvoldoende landbouwgrond. Wij hebben niets dan… mensen. Die mensen zijn bovendien gewend aan een levensstandaard die we – zonder met de cijfers te moeten knoeien – bij de hoogste in de wereld kunnen rekenen. We willen dat natuurlijk niet zien, maar zelfs onze ‘armen’ zijn minder arm dan elders.

We hebben er dus alle belang bij, deze – op zich al instabiele – toestand te handhaven. Dat kunnen we enkel door producten en diensten aan te bieden waarvoor de wereld bereid is goed te betalen. En dat lukt wederom alleen met een beter dan normaal gekwalificeerde actieve bevolking. Daarom is een onderwijs dat ‘maar’ zo goed is als bij de buren voor ons totaal onvoldoende.

Hoe staat het met ons onderwijs?

De resultaten van de PISA studie 2012 werden onlangs bekend gemaakt. Daarbij werden de vaardigheden van vijftienjarigen – zoals gewoonlijk –  op drie gebieden gemeten: wiskunde, lezen en wetenschappen (natuurkunde – scheikunde). Kijken we eerst eens naar de wereldwijde resultaten. Ik gebruik hier het OECD document.

Wij landen voor wiskunde op plaats 15, voor lezen op 18 en voor wetenschappen op 24 van 65 deelnemende landen. Dus, gemeten aan onze behoeften zoals in de inleiding geformuleerd: ver van goed genoeg. Yves Desmet komt in De Morgen van 4 december tot een heel andere conclusie: Laten we beginnen met het goede nieuws: we zitten bij de absolute Europese top inzake wiskundeonderwijs, bij de subtop in leesvaardigheid en als middenmoter in wetenschappen hoeven we ons ook niet te schamen”. Hoe kan dat nu? Hiervoor zijn twee redenen.

Ten eerste baseert mijnheer Desmet zich op de Vlaamse resultaten, en die zijn inderdaad significant beter dan de Belgische. Het onderwijs van de Franse gemeenschap trekt ons gemiddelde fors omlaag. Vlaanderen komt voor wiskunde op rang 10, voor lezen eveneens op 10 en voor wetenschappen op 18. Maar het zal mijnheer Desmet toch al wel opgevallen zijn dat Vlaanderen geen onafhankelijke staat is, en ik geloof ook niet dat hij daarvoor ernstig ijvert. Verder hanteert hij nogal eigenaardige maatstaven. Als volledig op export aangewezen (Vlaamse?) natie hoeven wij ons over plaats 18 op 65 voor wetenschappen nog geen grote zorgen te maken vindt hij. Moest het hier echter over voetbal of wielrennen gaan, en die zijn voor ons economisch overleven toch werkelijk onbelangrijk, dan zou het kot te klein zijn!

Vlaamse nationalisten moeten een beetje voorzichtig zijn alvorens hier snelle en vooral luide conclusies te trekken, want natuurlijk is ook Vlaanderen sinds 2003 alarmerend achteruit gegaan. De score voor wiskunde donderde van 531 naar 518. Dat baart de heer hoofdredacteur echter duidelijk minder zorgen dan de grote ongelijkheid die hij in ons onderwijs vaststelt. Gelijkheid  is vooral bij  jonge migranten  hét probleem, dus óns probleem, zo meent hij.  Wel, we zullen zien.

Daar we voorlopig echter, mede dank zij de onverdroten inspanningen van de heer Desmet, wel verder in een unitair Belgisch economisch solidair bestel zullen leven, acht ik het toch maar beter voor onze analyse ook de Belgische cijfers te hanteren. Die worden vooral alarmerend als we de evolutie sinds 2003 bekijken. Hier ziet U de rangen die we in de verschillende secties in de jaren 2003 en 2012 konden innemen:

Plaats van België in de rangschikking
 20032012
Wiskunde 8 15
Lezen 11 18
Wetenschappen 14 24

 

Het is duidelijk dat we niet langer werkeloos kunnen toezien: hier is handelen noodzakelijk. Alleen: wat doen? Welke parameters bepalen de kwaliteit van het onderwijs? Aan welke knoppen kunnen we draaien?

Zijn het de centen die mankeren?

Het eerste waar we aan denken (hoe raar toch!) is geld. Een rijkere maatschappij zal zich wel een beter onderwijs kunnen veroorloven. Want we weten het allemaal: het is de schuld van ’t kapitaal! Dat dachten ze bij The Guardian ook, en daar komt het volgend plaatje vandaan.

Pisa Math vs GDP

Ze hebben de wiskunde scores van die 65 landen uitgezet tegen het bruto binnenlands product per capita.

Het resultaat is een sterrenhemel. Ze hebben er wel een trendlijn doorgetrokken, maar daar zijn ofwel sterke zenuwen voor nodig of een overweldigend ideologisch geloof. Hier is gegarandeerd geen statistisch significant verband te zien, wat nog niet betekent dat er geen verband is. In de rand bemerkt: de sociologen benaderen dergelijke ‘wolken’ veel minder schroomvol dan de exacte wetenschappen, wat nogal eens tot miskleunen leidt.

Als we zo’n sterrenhemel zien kan dat ofwel aan zeer onnauwkeurige metingen liggen ofwel daaraan dat de grootheid die we bekijken niet of niet alleen van de parameter onder observatie afhangt. Er kan nog wel een afhankelijkheid zijn, maar dan een ondergeschikte en in geen geval DE dominante.

Ik heb nog een andere piste gevonden om deze vraagstelling te onderzoeken, namelijk bij onze Oosterburen. De Duitse Bondsrepubliek (BRD) bestaat uit 16 Bundesländer. We kunnen ervan uitgaan dat daar, hoewel er duidelijke verschillen in welvaart zijn, toch verder ongeveer gelijke condities heersen. Daar krijgen we misschien een duidelijker beeld. De PISA resultaten daarvan zijn apart gerapporteerd.  Het pro capita beschikbaar inkomen vinden we bij het Statistisches Bundesamt.

PISA Beschikbaar inkomen en wiskunde

Hier zien we al een veel beter verband hoewel ik hier, met een correlatiecoëfficiënt van -0,325 ook nog geen vergaande conclusies uit zou durven trekken. Bovendien schijnt hier een dalend verband te zijn, dus: meer geld, slechter onderwijs. En ten slotte betekent correlatie nog lang geen causaliteit. Het kan best zijn dat een derde grootheid, die we hier niet zien, zowel PISA-score als inkomen beïnvloedt. Dat ligt hier voor de hand, daar de sterke presteerders de ‘nieuwe’ Bundesländer zijn.

 

We kunnen nu echter wel concluderen: de centen zijn het waarschijnlijk niet! Anders hadden we dat in de BRD duidelijk moeten zien. Maar wat is het dan wel?

Is er iets fout met de tijdsgeest?

Sommige meer conservatief ingestelde mensen denken dat de tijdsgeest met zijn postmoderne waarden de oorzaak van ons duidelijk verval is. Die waarden zijn:

Dit is geen echt goede en zeker een zeer onvolledige beschrijving, maar U begrijpt wat ik bedoel.

Misschien moeten we deze hypothese toch minstens eens testen.

Maar hoe kunnen we de invloed van het postmodern gedachtegoed meten? Bij ons is dat vrijwel onmogelijk, maar in de BRD zie ik een piste. Daar hebben die Bundesländer namelijk een Landtag, een parlement, en daarvan kennen we de samenstelling. Maar welke partij moeten we nu meer of minder met die ‘progressieve’ postmoderne waarden associëren? Vanuit mijn – nogal brede – Duitse ervaring denk ik: de SPD (de Duitse socialisten) en Grün.

Dat heeft merkwaardig genoeg met ‘links’ en ‘rechts’ weinig te doen. De werkelijk linkse partij in de BRD is ‘die Linke’, maar die houden zich met het postmoderne welbehagen niet bezig. Natuurlijk is dit een zeer grove en wetenschappelijk moeilijk verdedigbare indeling, want er zijn bij de SPD gegarandeerd mensen die behoorlijk conservatief zijn, en ook bij de CDU zijn er zeker links en rechts postmoderne tendensen. We hebben hier dus hoogstens een indicatie. Maar kijken we eens wat er uit komt. We tellen de zetels van SPD en Grün in die Länderparlementen samen, bepalen het % van hun representatie in die parlementen en correleren dat met de PISA-score Wiskunde. De 16 Länder zijn door de rode ruiten gerepresenteerd.

Pisa Samenstelling deelstaatsparlementen 0

Met een correlatiecoëfficiënt van 0,81 is dat natuurlijk geen bomvrije bewijsvoering, maar vrij behoorlijk. Veel beter dan die sterrenhemel van daarnet is het in ieder geval. Het is ook opmerkelijk dat de twee besten, links in de grafiek dus, een oud én een nieuw Bundesland zijn (Bayern en Thüringen).

Hier is gegarandeerd ‘iets aan’. Hoe kan men dit interpreteren? De samenstelling van die parlementen zal de PISA-score – denk ik – in geen geval significant beïnvloeden. Maar ze is wel een vrij goede indicator voor de meer of minder prominente aanwezigheid van het postmodern gedachtegoed in het betreffend land.

Ik heb daar later ook de Belgische (Vlaamse en Franstalige) gemeenschappen volgens dezelfde criteria mee ingetekend (zwarte vierkanten). Het is opmerkenswaardig hoe goed onze gemeenschappen in het model van de Duitse Länder passen.

Hier lijken we toch een bevestiging voor onze hypothese te vinden die te hard is om zonder meer te negeren.

Overweldigende nadruk op gelijkheid

Kunnen we nog andere aanwijzingen vinden? Het meest relevante element van de postmoderne waarden is de overweldigende nadruk op gelijkheid. Er wordt nogal eens beweerd dat die bestaat in gevallen waar het duidelijk niet zo is. En waar ze niet bestaat moet ze afgedwongen worden, ten koste van alles.

Nu rapporteert de OECD niet enkel de gemiddelde PISA-score, maar ook het percentage uitzonderlijke presteerders, dus leerlingen die in de zogenaamde categorie 5 en 6 vallen. Als we nu eens kijken naar het verband tussen dat getal en de gemiddelde PISA score zien we het volgende:

PISA SCORE en ongelijkheid v2

Hier hoeven we geen trendlijn in te tekenen; de data doen dat zelf. Het kan ook nauwelijks verwonderen dat een hoge gemiddelde score enkel kan bereikt worden als er een groot aantal leerlingen ver boven het gemiddelde presteren. De toplanden hebben ook – zo blijkt uit de statistiek – hun aandeel zwakke presteerders. Daardoor hebben ze dus een veel grotere ‘ongelijkheid’ dan wij. De bovenstaande grafiek beeldt dus ook de invloed van de ongelijkheid op de gemiddelde score af, en die is duidelijk nogal sterk. Dat botst natuurlijk met de hedendaagse gelijkheidswaan.

Indien nivellering kon worden bereikt door de slechte presteerders op te krikken, eventueel ten koste van een kleine daling bij de topperformers, dan zou dat, ook voor mij, niet alleen acceptabel maar zelfs wenselijk zijn. Maar zo werkt dat in de realiteit niet. Nivellering kan enkel naar onder bereikt worden, en daarmee zijn we bij ons al tientallen jaren vlijtig bezig. De toplanden hebben dat begrepen, en ze accepteren enige ongelijkheid, ten bate van het gemiddeld niveau. Ook de communistische Chinezen doen dat. Ze weten namelijk dat hun volk met de 300.000 uitstekend opgeleide ingenieurs die ze ieder jaar afleveren veel beter bediend is dan met een beetje illusie van gelijkheid. Ik zegde het toch al: het heeft met ‘links’ of ‘rechts’ niets te maken. Met realiteitszin des te meer!

Wie voor de klas staat, moet zwijgen

Het feit dat we aan een gevaarlijk tempo terrein verliezen zou ons een indicatie moeten geven dat we niet goed bezig zijn, en misschien zelfs het een en ander aan vroegere veranderingen terug moeten draaien. Dat zal niet gebeuren. Onze ‘experten’ menen dat de remedie eerder te zoeken is bij ‘meer van hetzelfde’, wat nogal dwaas is in de gegeven situatie maar blijkbaar niet te vermijden. Naar de leraars, die al bang zitten te wachten op de volgende ‘grote’ hervorming, wordt niet geluisterd.

Iemand die ooit voor een klas heeft gestaan schijnt bij ons automatisch de competentie te verliezen om over onderwijs mee te praten. Die remmen alleen maar (nogal begrijpelijk) en worden dus bij voorkeur voor voldongen feiten gesteld.

En als het nu toch maar eens alleen de socialisten waren. Onlangs hield ik een lezing over dit thema. Na afloop werd me gevraagd: “Waar is dan nog wel goed onderwijs?”. Ik wees op mijn PISA-slide en zegde: “dat hebben we toch gezien: in China en Zuid Korea.” Daarop kwam, met bevende stem: “Ja, maar de mensenrechten!” De man is directeur van een katholieke school… Ook de uitlatingen van mevrouw van Hecke zijn weinig hoopgevend. Ik hoor pedagogen (maar natuurlijk zulke die niet voor een klas staan) over het Chinese model zeggen dat het (zoals het onze vroeger ook) toch al te zeer op de leraar gefocust is. Het is ze niet ‘inclusief’ genoeg. Daarheen willen ze in geen geval terug.

We zullen dus nog wel enkele jaren verder naar beneden donderen. Het is alleen maar te hopen dat we onze ‘machine’ dan nog tijdig kunnen optrekken. Zeker is dat allerminst.

Voor mijnheer Desmet, met zijn geruststellende woorden en zijn sociale bewogenheid heb ik hier, naast mijn dank, nog een Shakespeare-parafrase, zoals ze die in het ASO bij ons niet meer leren: There are more things in heaven and earth, Yves, than are dreamt of in your philosophy.

Gerard De Beuckelaer, ingenieur, oud internationaal topmanager; hij werkte intensief samen met universiteiten (voor zowel onderzoek als onderwijs) en gaf zelf les als gastdocent aan MIT, TU Munchen, Cambridge en UCLouvain.

De opinie uitgedrukt in dit artikel is enkel deze van de auteur.
We waarderen alle kritiek en suggesties. Stuur ons gerust een This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.met uwbemerkingen, extra feiten en uw voorstellen.