toogBelgië heeft een overlegcultuur”. Je hoort het vaak zeggen in tv-programma’s zoals ‘De Afspraak’. Het verbaast mij niet dat de moderator, Bart Schols, het daar roerend mee eens is. In een café namelijk is “overleg” in brede zin de hoofdactiviteit.

Dat sinds Steven Stevaert en tot en met Bart Schols cafébazen hun stempel op de Belgische politiek drukken, is wel geen geheim. Dat is nog geen reden overleg automatisch met toogpraat te associëren. Alhoewel…

Het is fascinerend te zien hoe de gasten in “De Afspraak” het woord “overlegcultuur” op heel verschillende manieren uitspreken. Er zijn er nogal wat die het zeggen zoals de katholieke kwezels vroeger “heilige communie” prevelden: eerbiedig, met een lichtjes omfloerste blik schuin naar de hemel gericht. Andere – en ik denk hier aan een Gentse professor – krijgen bij het uitspreken van het toverwoord een – verstaanbare – zorgelijke rimpel in het voorhoofd. Bij eentje meen ik dan weer een zweem van een spottend lachje waar te nemen. Maar die dame zouden ze sowieso vanwege haar aanstootgevend hoog IQ bij dergelijke programma’s beter niet uitnodigen.

De uitdrukking lijkt dus nogal verschillende dingen te betekenen voor verschillende mensen. Misschien is het de moeite waard om dat eens vanuit diverse standpunten nader te bekijken.

Betekenissen

Voor onze postmoderne ‘intellectuelen’, en daartoe behoort het grootste deel van onze journalisten, is “overlegcultuur” de geweldigste uitvinding van alle tijden. Het begrip ademt inclusiviteit, en dat is een van onze belangrijkste hedendaagse waarden. Het komt ook tegemoet aan de behoefte de werkelijkheid en de waarheid sociaal – dus door overleg – te definiëren. Er hangt een warm wollig “wij allemaal samen” gevoel aan.

Terwijl voorgaande argumenten open, zo te zeggen in het daglicht, gehandeld worden, is er in het postmoderne denken ook een onderwereld. Daar blijven de dingen bewaard die men het grote publiek niet kan tonen omdat het ‘plebs’ ze niet of zelfs – godbetert – helemaal verkeerd zou verstaan. Hier vinden we zelfs een snuifje nostalgie. Er lopen nog altijd heel wat overjaarse, lichtjes gerimpelde veteranen van 68 rond die zich niet zonder heimwee die prachtige anarchistische zomer van 1968 herinneren. Alles mocht op ieder gebied: het paradijs voor ieder lui hedonistisch jochie.

In die roes van teugelloosheid werd ook het ‘overleg’ als plechtig sacraal ritueel van de nieuwe religie geïntroduceerd. De jonge revolutionairen probeerden inderdaad ieder probleem op te lossen door debat. Er werd dus eindeloos overlegd, meestal door groepen waarvan niemand ook maar het geringste weten omtrent het onderwerp van discussie meebracht. Dat de resultaten van die palavers overeenkomstig mager bleven, stoorde niemand: van sacramenten wordt geen tastbaar werelds resultaat verwacht. Voor activisten/demagogen is het heel eenvoudig een dergelijke chaos te kapen en voor hun kar te spannen. Gramsci, die beschreven had hoe dat effectief kan, hadden ze toen nog niet gelezen – Rudi Dutschke moest dat eerst nog verkopen – maar ze konden het ook zo. Dat heeft zeker tot de populariteit van het begrip “overleg” bijgedragen. Ze namen die techniek mee op hun “lange mars door de instanties” en nu is de methode ‘overleg’ helemaal aan de top aangekomen.

De meerderheid van de bevolking, zonder het te weten ondertussen verregaand postmodern geïndoctrineerd, vindt dat allemaal heel goed. Uiteindelijk willen ze harmonie en ze geloven dat overleg daartoe kan leiden. Dus juichen ze in een “vrede vol akkoorden”. De “akkoorden” in onze nationale hymne waren wel eerder muzikaal bedoeld, maar diegene die via overleg tot vrede zouden moeten voeren worden meestal al na enkele uren gebroken. Zelfs dat blijft verregaand onopgemerkt, zolang het er maar veel zijn.

De politici vinden het ook best. Er bestaat geen effectievere verdunner voor die vermaledijde verantwoordelijkheid dan overleg. Als daar voldoende entiteiten bij betrokken zijn, is het nagenoeg onmogelijk gelijk welke domme beslissing op één persoon terug te voeren.

Zowat iedereen gelooft dus in het heilbrengend overleg. Daar worden geen vragen meer bij gesteld. Dat zou nochtans wel mogen, want:

Er is een onderliggende realiteit

Als we die willen benaderen moeten we een kleine excursie in de veelgesmade ‘moderne wiskunde’ maken. Indien u – zoals ik – al echt oud bent hebben ze u daar in de school nooit iets van verteld. Maar het is niet echt moeilijk en u kunt altijd raad halen bij uw kleinkinderen.

Stel dat we slechts drie betrokkenen hebben bij een overleg (dat moet in Utopia zijn). Noemen we ze A, B en C. We kunnen hun waarden, dus de dingen die ze willen, in een Venndiagram voorstellen. Het groene gebied geeft de verzameling waarden aan die ze alle drie delen. In de taal van de symbolische logica ziet dat er zo uit: groen is de doorsnede A ∩ B ∩ C. Zowel toebehorend aan A als aan B als aan C.

overleg01

Het groen stuk is dus dat wat ze allemaal gemeenschappelijk hebben. Hier kan de basis zijn voor een compromis als resultaat van overleg. Dat kan nu nog een beetje uitgebreid worden, maar daarbij zal telkens minstens één betrokken partij in de kou blijven staan. Hier zijn dus redelijkheid en een gevoel voor evenwicht nodig.

In een situatie zoals hierboven afgebeeld gaat dat niet moeilijk zijn: er is veel gemeenschappelijke grond. De partijen zullen vrij snel tot een substantieel en stabiel afsprakenpakket kunnen komen.

Maar… hier liggen de betrokken partijen zo dicht bij elkaar dat men zich moet afvragen of ze niet beter ineens zouden fusioneren. Als er zo weinig meningsdiversiteit is kunnen we ook niet meer over een democratie spreken: die is dan eigenlijk niet meer nodig. Het is dan ook niet verbazend dat alle dictaturen beweren een dergelijke situatie te hebben.

overleg02

De realiteit ziet er echter eerder uit zoals hierboven afgebeeld. De gemeenschappelijke grond is niet meer dan een onooglijk lapje, veel te weinig voor ieder der partijen om hun achterban mee te kunnen paaien. Een akkoord is dan ook zeer moeilijk te bereiken en zal, als het er toch komt, weinig stabiel zijn. Of we een dergelijke koehandel nog ‘overleg’ kunnen noemen is ook een legitieme vraag.

Het Britse parlementair systeem waarbij normaliter één partij de regering vormt, en de andere gedurende een legislatuurperiode gewoon niets krijgt, ontwijkt dit probleem. Ik weet dat ik daarmee verregaand alleen sta, maar ik denk toch dat we dit systeem, ook als alternatief voor ons land, zeer ernstig in aanmerking moeten nemen.

De Praktijk bij ons

In België is het groen stukje extreem klein. Er zijn niet enkel een dozijn politieke formaties. Ook een groot aantal belangengroepen, vakbonden, de middenstand, de ondernemers, het zogenaamde middenveld etc. zijn allemaal direct of indirect mee van de partij. En iedereen moet zijn snoepje krijgen…

Niemand gaat naar die vergaderingen om met blik op het welzijn van de natie naar de noden en behoeften van de anderen te luisteren en daardoor tot een eerbaar compromis te komen; dat laatste zou overleg zijn. Ze zitten daar allemaal om jaloers en wantrouwig over de belangen van hun partij of groep te waken. We blijven dat desondanks “overleg” noemen. Dat kan enkel als men bereid is ook poker voor een vorm van overleg te houden. Een goed postmodern principe is echter: als wij het allemaal samen “overleg” noemen, dan is het ook overleg. De dingen bij hun echte naam noemen, is vandaag niet meer onze grootste sterkte…

Conclusies

Overleg kan zeer nuttig zijn om oplossingen te vinden in een groep waarvan niemand het volledig beeld van het object onder deliberatie heeft. Als dan iedereen zijn stukje bijdraagt kan daaruit een resultaat ontstaan dat de mogelijkheden van iedere individuele deelnemer sterk overtreft. Overleg is een uitstekend werktuig om, bij grote eensgezindheid over het doel, de best mogelijke weg daarheen te vinden. Overleg is veel minder geschikt als het erom gaat het doel te bepalen. Daar werken te sterke meningen en overtuigingen tegen.

Overleg is zeker geen tovermiddel. Het is niet waar dat tien ignoranten door overleg even veel kunnen bereiken als één deskundige. Alles wat ze kunnen, is hun onzin veel luider schreeuwen. Maar tien deskundigen kunnen wel, als ze goed samenwerken, door overleg veel meer presteren dan ieder apart.

De Belgische overlegcultuur is geen toevallig fenomeen. Ze is de tweelingzuster van de bestuurlijke koterij, ook een vrij uniek verschijnsel. Het groot aantal overlegorganen weerspiegelt de jungle aan ‘bevoegde instanties’. Ze zijn samen opgegroeid op de vruchtbare bodem van de postmoderne tijdsgeest. Dit land verdraagt geen effectief, efficiënt bestuur. We schijnen ons goed te voelen bij een systeem dat niets aan het lopen krijgt. Als men weet dat er ondertussen al vijf ministers bevoegd zijn voor mondmaskers is op slag duidelijk dat we ze niet op tijd gaan krijgen.

Dat die tweeling zonder meer het potentieel heeft om de cultuur waaruit hij ontstond te vernietigen is duidelijk. Of dat inderdaad ook zal gebeuren kunnen we nu nog niet weten.

 

Uw dwarsligger