Print

Brussel 1657 Janssonius 100Deze nota is het resultaat van een jarenlange brainstorming in de schoot van het VVO (Verbond van het Vlaams Overheidspersoneel)  over het “probleem Brussel”.

Het is de bedoeling met deze nota een reeks elementen aan te reiken om, in een breder kader, een “Brussel Plan” op te stellen en in consensus uit te voeren.

Het VVO is van mening dat ons standpunt ook an het buitenland moet uitgelegd worden en zal daarom deze nota in verschillende talen verspreiden (dit verklaart de ietwat didactische aard van bijvoorbeeld de delen I en II).

I. Een zinloze discussie

Of we dat nu tof vinden of niet, Brussel geraken we nooit kwijt. Sinds haar ontstaan, duizend jaar geleden, delen Brussel en Vlaanderen dezelfde geografische en socio-economische ruimte en dat zal zo blijven. Tussen Brussel en Vlaanderen zal er altijd een poreuze grens blijven bestaan. Of wil er iemand een muur bouwen zoals in Berlijn?

Vele eeuwen, tot op vandaag heeft de aanwezigheid van Brussel, in wat we nu Vlaams Brabant noemen, welvaart gebracht. Maar die aanwezigheid heeft ook een schaduwzijde. Brussel exporteert vandaag, niet alleen welvaart maar ook verfransing en vervreemding, ongebreidelde immigratie en criminaliteit en belast het Vlaams Brabantse milieu bijzonder zwaar. Denken we maar aan de Brusselse ring, het RER en de oprukkende verstedelijking.

Deze wisselwerking zal blijven bestaan, ook met een onafhankelijk Vlaanderen of een voortsukkelende soort van Belgische confederatie. Tenslotte liggen beide gewesten hoe dan ook in de EU en daar gelden  bepaalde spelregels. Oneliners als “we laten Brussel los” of “we raken Brussel kwijt” en de polemiek  daarrond, is totaal zinloos. Deze discussie wakkert alleen maar negatieve  sentimenten aan en verstoort het echte debat dat zou moeten gaan over: “Hoe kunnen we de relatie met Brussel stroomlijnen?” Wederzijds onbegrip moet omgebogen worden naar wederzijds respect.

Wie wakkert er vandaag de discussie “met of zonder Brussel” aan?

Belgicisten, zowel Nederlands- als Franstalige, die van de verwarring die daardoor ontstaat, gebruik willen maken om stokken te steken in het Vlaamse streven naar meer autonomie. We hoeven hier niet verder op in te gaan. Hun gestook is doorzichtig en hun invloed neemt gestadig af. Al hun hoop is vandaag gevestigd op de “Rode Duivels”. België gered door het voetbal! Zien hoe dat afloopt.

Goed menende maar naïeve Vlamingen die denken gemakkelijke oplossingen te kunnen realiseren (“we laten Brussel los”), maar in feite, met de ogen open in een valstrik van de Franstaligen trappen.

Want, waar sturen de Franstaligen op aan, nu de in 1830 opgestarte kolonisatie van Vlaanderen mislukt is? Vandaag hebben ze nog maar één doel, al willen ze dat niet openlijk toegeven: de enorme transfer van Vlaams belastinggeld naar Brussel en Wallonië, te allen prijze veilig stellen. Hun tactiek is een mengeling van chantage en bluf. Een mooi voorbeeld hiervan lezen we in De Standaard van 18 januari jl., van de hand van Francis van de Woestijne, politiek commentator van La Libre Belgique:

Ik ben voor een grote autonomie van de regio’s. Maar met het confederalisme heb ik wel een groot probleem, omdat het voortbouwt op een Vlaamse visie van een federalisme met twee. Wat doen we dan met Brussel? Vlaanderen moet één ding goed beseffen: als men het land wil splitsen, dan zijn jullie Brussel kwijt. Iets anders zullen de Franstaligen nooit aanvaarden. Nooit!”

Op het eerste gezicht is dit platte chantage, maar bij nader toezien is dit alleen maar goedkope bluf. Als we niet braaf zijn, d.w.z. weigeren verder te betalen, gaan ze ons iets afpakken! Ze geven dus impliciet toe dat Brussel, zoals het inderdaad altijd was, eigenlijk ons toebehoort. Hoe kun je anders iemand iets afpakken dat hij niet bezit? Maar goed.

En wat is het Franstalige argument? Hun enig argument trouwens! Dat men in Brussel overwegend Frans spreekt. Deze vaststelling is misschien in de ogen van de Belgische Franstaligen zeer belangrijk, en brengt ook een hele boel naïeve Vlamingen die in deze redenering van de Franstalige Belgen meegaan, in de war, maar staatkundig is deze vaststelling van geen enkele tel.

Of men in Brussel Frans, Engels, Arabisch…of Chinees spreekt, geen enkele grote mogendheid, zelfs Frankrijk niet, zal het aandurven, alleen daarom, eeuwenoude staatsgrenzen te corrigeren. Als men dat zou doen, met name de staatsgrenzen vastleggen of corrigeren in functie van taalaanhorigheid, dan is, in de hele wereld, het hek definitief van de dam. De grote mogendheden zijn daar als de dood voor.

Mogen we dus op onze twee oren slapen en de bedreiging van de Franstalige Belgen, als goedkope bluf, negeren? Wij vinden van niet want het gaat hier om chantage en internationale perceptie.

De truc van de Franstaligen waarmee ze  hun chantage een zekere institutionele basis proberen te  geven is de Wallobrux constructie, een (con?)federatie van Brussel en Wallonië.

Wij begrijpen niet waarom de Vlaamse regering maar laat betijen en geen belangenconflict inroept. Niet dat zo een demarche de Franstaligen zal beletten te complotteren, maar het zou een mooie gelegenheid zijn om, met een klacht bij het Grondwettelijk Hof, aan te tonen dat de Franstaligen niet aarzelen om schaamteloos de grondwet aan hun laars te lappen. Nu hebben de Vlamingen al te dikwijls het imago van onverdraagzaamheid, onruststokers en taalscherpslijpers omdat ze , overigens volkomen terecht, enkele kandidaat burgemeesters, die a priori aankondigen de wet niet te zullen respecteren, weigeren te benoemen. Wie respecteert hier de democratische spelregels niet?

De internationale perceptie van een conflict is uiterst belangrijk. Om daar een voorbeeld van te geven moeten we niet eens ver teruggaan in de geschiedenis. In de Balkanoorlog hadden de Serviërs, naast het militair overwicht, ten minste in hun ogen, goede argumenten voor hun zaak. En toch werd naar hen niet geluisterd en verloren ze uiteindelijk omdat ze de internationale perceptie tegen hadden.

In een interview met “’t Pallieterke”  (6 maart 2013) legt Manu Ruys de vinger op een open Vlaamse wonde:

Franstalig België heeft goede contacten met Europa en controleert alle sleutelposities van het Belgisch buitenlandbeleid. Vlaanderen is te weinig alert voor wat ons in de grote Europese context kan overkomen. Wij moeten bij de Britse en de Duitse ambassade de deuren platlopen. De N-VA heeft op dit gebied geen visie, noch een beleid.

Het kan toch niet zo moeilijk zijn voor de Vlaamse regering een topdiplomaat binnen te loodsen in het Clingendael Instituut, de officiële denktank van de Nederlandse regering voor het buitenlandbeleid, en een instituut met wereldfaam. Nu zit daar le vicomte Etienne Davignon!

Een klein intermezzo.

Wat het Wallobrux verhaal betreft, willen we, geheel onderdanig, de Koning, die zich nogal laat inspireren door de gebeurtenissen van de jaren dertig, vorige eeuw, er op wijzen dat de Franstaligen een copy-paste aan het maken zijn van feiten uit de late jaren dertig die de rechtstreekse aanleiding vormden tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog. De Wallobrux constructie met zijn corridor door Sint Genesius Rode en de aansluiting van Brussel bij Wallonië lijkt verdacht veel op de obsessie van de Nazi’s om een “corridor (van Dantzig)” en de “Anschluss (met Oostenrijk)”, te realiseren. We verwachten dan ook dat, in een volgende koninklijke  toespraak, de Franstaligen, voor hun duidelijk nazistisch gedrag,  een flinke bolwassing zullen krijgen.

II. Een ontaarde hoofdstad

Buitenlanders, die van Brussel uiteraard slechts een vluchtige indruk opdoen, maar helaas ook veel Vlamingen die alleen maar sporadisch met Brussel in contact komen, laten zich misleiden door het Franstalig gekakel en komen al snel  tot het besluit dat in Brussel alles Frans is.

Hoeveel Nederlandssprekenden telt Brussel nog? Na de, door de Belgische staat, vakkundig uitgevoerde culturele genocide op wat honderd jaar geleden nog een Vlaams-Brabantse stad was, zinkt bij het antwoord op deze vraag bij veel Vlamingen de moed in de schoenen. Bij het meestal geciteerde cijfer (55.000) past evenwel heel wat nuancering en commentaar.

Om te beginnen, zijn het de Franstaligen die graag met dit cijfer uitpakken en van hen verwachten we geen objectieve benadering. Het gaat hier trouwens om kiezers, niet om inwoners. Erger is het feit dat sommige Vlaamse politici, en niet van de minste, in een poging zich interessant te maken, deze Franstalige propaganda menen te moeten ondersteunen.

Om redenen die we hierna opsommen, zijn verkiezingen juist een heel slechte barometer om de sociologische samenstelling en de taalaanhorigheid van de bevolking te peilen.

Een eerste golf kwam uit landen waar de kennis van het Frans een zekere verspreiding kent. Vandaag is dat niet meer het geval maar de nieuwkomers worden overdonderd door de min of meer Franstalige subcultuur van het migrantenmilieu waarin ze terecht komen en passen zich aan met een mondje Frans. Als ze daarna geconfronteerd worden met het Nederlands voelen ze zich, met hun beperkte kennis van het Frans, bedrogen en als van hen tweetaligheid gevraagd wordt reageren ze negatief of vijandig. Zij stemmen etnisch en de Franstalige politieke partijen, die, zich de valse luxe kunnen veroorloven daarop in te spelen omdat ze een groot aantal mandaten te verdelen hebben.

Men vergeet meestal te vertellen dat ook het aantal autochtone Franstaligen in Brussel sterk afneemt. Veel Franstalige gezinnen zien het in Brussel niet meer zitten en vluchten naar de Vlaamse of Waalse Rand, waar ze dan weer andere problemen veroorzaken zoals vastgoedprijzen die de pan uitswingen en het verdwijnen van de cohesie van de lokale gemeenschappen. Het deel van de autochtone Franstaligen dat verkiest, of gedwongen is, in Brussel te blijven wonen, veroudert daarboven snel.

Franstalig Brussel schreeuwt dan wel hoog van de toren, maar, alles wel beschouwd, ziet de toekomst er voor hen, alles behalve rooskleurig uit. De autochtone Franstaligen worden in snel tempo vervangen door “nieuwe Belgen” en als deze evolutie niet bijgestuurd wordt eindigt de Europese hoofdstad, het Belgisch gewest “à part entière”,  morgen als een islamitische mini republiek. Met dank aan de Belgische staat en zijn domme taalpolitiek.

De Vlaamse aanwezigheid in Brussel is evenwel heel wat groter dan wat men op het eerste zicht zou denken, ook al wordt dit, door de Franstaligen, systematisch verzwegen en weggemoffeld.

Brussel is volledig afhankelijk van Vlaanderen voor haar essentiële verkeersinfrastructuur. De ring rond Brussel, de luchthaven van Zaventem en het zeekanaal bevinden zich quasi integraal op Vlaams grondgebied.

Brussel telt een volledig Nederlandstalige universiteit en drie Nederlandstalige hogescholen die bachelor en masteropleidingen verzorgen voor een studentenpopulatie van bijna 30.000 eenheden. Een goed georganiseerd netwerk van 5000 studentenkamers ondersteunt dit onderwijs aanbod.

Voor de toekomst is dit alles erg hoopgevend, maar het duurt nog minstens één generatie vooraleer deze investeringen de Vlaamse gemeenschap ook effectief versterken.

De afhankelijkheid van Vlaanderen en het gebrek aan Vlaamse inwoners in Brussel wordt opgevangen door een dagelijkse arbeidsmigratie buiten proportie, vanuit Vlaanderen naar Brussel, zowel met het openbaar vervoer als met privé vervoer.

Dit is een economisch drama.

De quasi volledige economische activiteit in de hoofdstad vereist immers goed opgeleid, hoog gekwalificeerd en meertalig personeel (Frans/Nederlands, en zelfs Engels voor de betere jobs) en dat is in Brussel niet voorhanden en daarom pendelen zoveel Vlamingen dagelijks naar de hoofdstad.

De eigen bevolking van Brussel komt niet aan de bak omdat ze eentalig Frans, en slecht opgeleid is in het Franstalig onderwijs waarvan de kwaliteit ondermaats is. Dit alles resulteert in een weinig benijdenswaardige Brusselse werkeloosheidsgraad van 20% met uitschieters van 50% in de jongerenwerkeloosheid.

Het is een illusie te denken dat deze toestand snel ten goede kan gekeerd worden. De sociologische structuur van de bevolking beantwoordt nu eenmaal niet aan wat de hoofdstad van een tweetalig land, nodig heeft. Het BNP van Brussel daalt gestaag. Wat eens het meest welvarend gewest van België was, zinkt weg naar het meest hulpbehoevende gewest.

De overheidsfinanciën liegen er niet om.

We laten Rik van Cauwelaert in De Tijd (26 januari 2013) aan het woord:

De begroting van het Hoofdstedelijk Gewest is een ware puinhoop. Het Brusselse tekort is gestegen van 133 miljoen euro in 2000 naar 457 miljoen in 2012 - ruim een verdriedubbeling in twaalf jaar tijd. De schuld van het Hoofdstedelijk Gewest, in 2005 nog 1,7 miljard euro, verdubbelde in zeven jaar tijd tot meer dan 3,5 miljard.

 

                                                                      III. Kan Vlaanderen helpen?

We gaan verder met Rik van Cauwelaert in zijn hierboven geciteerd artikel:

Brussel als volwaardig gewest is een illusie, net als de Federatie Wallonië-Brussel waar Onkelinx en Magnette van dromen. De boordtabellen van de hoofdstedelijke regio en Wallonië laten daar geen twijfel over bestaan. Als Brussel als Hoofdstedelijk Gewest wil overleven, heeft het slechts één uitweg: het aanhalen van de banden met de Vlaamse Gemeenschap, die nu al zwaar investeert in de hoofdstedelijke regio. Dat laatste is ook terecht. Het is immers vanuit Vlaanderen dat 80 procent

van de economische activiteit in Brussel wordt aangestuurd.

Men schat de jaarlijkse transfer van Vlaams belastinggeld naar Brussel vandaag op ca. 1 miljard. Met de verworvenheden van de jongste staatshervorming komt daar allicht 300 miljoen bij.

In het droombeeld van Franstalig België, de Wallobrux federatie, zou Vlaanderen wel voor Brussel betalen maar er geen bevoegdheid meer hebben. Dat gaat natuurlijk niet. Wie betaalt, bepaalt.  Met die harde werkelijkheid zullen de Franstalige Brusselaars moeten leren leven, als ze willen overleven.

Brussel zal met Vlaanderen moeten onderhandelen.

Maar heeft Vlaanderen een duidelijke visie op de toekomst van Brussel?

Brussel wordt slecht bestuurd, maar het zijn blijkbaar alleen de Vlamingen die zich daaraan ergeren.

Als voorbeeld van slecht bestuur wordt door de Vlamingen steevast smalend verwezen naar de “19 baronieën” waarmee ze de tot weinig samenwerking geneigde burgemeesters van de 19 gemeenten waaruit Brussel bestaat, bedoelen. Sommige Vlamingen vinden dat die 19 gemeenten moeten gefusioneerd worden tot één bestuur, zoals in Antwerpen, of toch minstens herleid moeten worden tot bijvoorbeeld 6 super gemeenten.

Die externe bemoeizucht jaagt de Brusselse politici in de gordijnen.

Hun positie in die 19 gemeentebesturen is immers de springplank en machtsbasis waardoor hun deelname aan de gewestelijke en de federale politiek gegarandeerd is. Het Brussels parlement is meer dan de andere parlementen die dit land telt, een verzameling van gemeentemandatarissen. En hun ministerschap, ja zelfs hun positie in het nationaal partijbestuur van de grote politieke formaties, danken ze aan hun gemeentelijke machtsbasis.

De Vlaamse raadgevingen zijn dus goed bedoeld, maar op zijn minst, erg onhandig. Overigens wordt het  belang van Vlaanderen er ook niet door gediend.

Als de gemeenten verdwijnen dan versterkt dit automatisch de geweststructuur en de praktijk leert ons dat het Gewest vijandiger staat t.o.v.  Vlaanderen dan de afzonderlijke gemeenten.

Als met Brussel moet onderhandeld worden dan is het, van Vlaams standpunt uit, meer comfortabel te kunnen praten met een gefragmenteerd Brussel dan met een monolithisch blok.

Elementair zou Machiavelli zeggen!

Andere Vlamingen willen nog een stap verder gaan en zouden liefst van Brussel een “condominium” à la Washington, willen maken dat dan (paritair?) bestuurd zou worden door Vlaanderen en Wallonië. Een dergelijk voorstel maakt de Brusselaars woedend.

Maar ook vanuit Vlaams standpunt bekeken is dit een slechte oplossing. Dit voorstel zou Wallonië op een structurele manier betrekken bij het bestuur van Brussel. Een idiote Vlaamse toegeving a priori, want Wallonië zal steevast een bondgenootschap aangaan met Franstalig Brussel en zal, omwille van zijn slechte budgettaire situatie,  niet kunnen bijdragen in de kosten van dit centraal district. Vlaanderen zou dus alleen moeten betalen voor een “condominium”, een schijnoplossing, waarin het niets te zeggen heeft. Heeft men dan niets geleerd van die andere schijnoplossing op papier; de afgekochte tweetaligheid van Brussel?

Al die Vlaamse voorstellen doen denken aan een troep kalkoenen die een Kerstfeest voorbereiden!

I.p.v. goede raad te willen geven aan de (Franstalige) Brusselaars zou Vlaanderen zich beter bekommeren om de noden van de Brussels Vlamingen die integraal deel uit maken van hun gemeenschap.

Het beleid van de Vlaamse regering is, in verband met Brussel, ronduit slap en slordig.

Ook al hebben we grote waardering  voor de goede resultaten in de onderwijssector, Vlaams regeringswerk is, wat Brussel betreft, onvoldoende of rechtuit onbestaande. Grondwettelijk zijn de Vlaamse regering en het Vlaams parlement bevoegd voor de Brusselse Vlamingen. Behalve de vermelding “en Brussel” in de titulatuur van een Vlaams minister, stelt dat niet veel voor.

De zaak is helaas ingewikkeld en rekening houdend met het slecht imago van Brussel in Vlaanderen, vindt men weinig Vlaamse politici en Vlaamse politieke commentatoren die zich over deze materie gebogen hebben. Bij de vorige “staats”hervormingen, grote en kleine, hebben de Vlamingen zich, zoals gewoonlijk, een oor laten aannaaien, met name in de Brusselse problematiek.

Men heeft in Vlaanderen allicht, zij het vaag, gehoord van een VGC (Vlaamse Gemeenschaps Commissie) en denkt dat er ook wel zoiets voor de Franstaligen zal bestaan. Inderdaad, maar dat orgaan noemt COCOF (en er bestaat zelfs een Gemeenschappelijke Gemeenschaps Commissie).

 In 1994 werden, met een grondwetswijziging, de bevoegdheden van de COCOF uitgebreid, zonder dat daaraan veel ruchtbaarheid werd gegeven. De Franse Gemeenschap droeg een aantal bevoegdheidspakketten integraal over aan de COCOF, waardoor deze instantie nu autonoom kan optreden en decreten kan uitvaardigen.

In Vlaanderen werd geen aandacht geschonken aan het geknoei in dit verband met de grondwet (waarin zulke bepalingen niet thuishoren, toch niet in een normaal land). De Vlaamse Gemeenschap liet het momentum om, bij die gelegenheid, orde op zaken te zetten in de betrekkingen tussen de VGC en de Vlaamse regering voorbij gaan en de VGC is een ondergeschikt bestuur gebleven.

De grondwet, op vraag van de Franstaligen, introduceert dus een asymmetrie in de Brusselse bestuursorganen. De eerste stap naar de institutionele uitbouw van Wallobrux. De Franstaligen volgen blijkbaar een lange termijn strategie.

Laten we terugkeren tot ons eigen bestuursorgaan in Brussel, de VGC.

Grondwettelijk is de Vlaamse regering bevoegd voor de persoonsgebonden materies die de Nederlandssprekenden in Brussel aanbelangen. In de praktijk komt daar niets van want de voogdij over de VGC wordt uitgeoefend niet door de Vlaamse maar door de Brusselse regering. Kafka op zijn best!

De VGC zit dus tussen twee stoelen en dat is eraan te zien.

In absolute cijfers is het budget van de VGC (120 miljoen euro) van de grootteorde van een budget van een doorsnee Vlaams provinciestadje, terwijl het hier gaat om 19 gemeenten waarvan verschillende meer dan 100 000 inwoners tellen. Vervolgens valt het op dat 20% van dit budget opgebruikt wordt aan “administratiekosten”.

Zo komen we er natuurlijk niet.

Alle partijen die deel uit maken van de Vlaamse regering zijn voor dit gebrek aan slagkracht van de VGC verantwoordelijk. Het Vlaams Parlement schiet ernstig tekort omdat aan dit non-beleid geen aandacht geschonken wordt.

Dit alles frustreert de Vlaamse Brusselaars. Ze voelen zich in de steek gelaten door de Vlaamse stiefmoeder die de mond vol heeft over grote principes, zegt hoe het moet maar te gierig is om te voorzien in de nodige middelen. Sommigen spelen dan ook, tot groot genoegen van de Franstaligen, met de idee van een Brussels gewest, ook voor persoonsgebonden materies. Dit is uiterst betreurenswaardig want het zou de succesvolle politiek, vooral in het Nederlandstalig onderwijs, volledig op de helling zetten.

Prof. Hendrik Vuye, heeft om deze toestand te keren, een goed en heel concreet voorstel geformuleerd:

Met deze structuur ontstaat permanent overleg met de Brusselse Vlamingen die zich niet langer stiefmoederlijk behandeld voelen en bezitten we een degelijk orgaan om de band met Brussel aan te halen.

Dit kan theoretisch niet gerealiseerd worden zonder grondwetsherziening en de Franstaligen gaan daar (natuurlijk weer) niet akkoord mee gaan, tenzij er een prijs wordt voor betaald enz…

Laten we in die val niet meer trappen. We realiseren het gewoon. De structuur wordt in de praktijk gebracht (een afspraak onder Vlamingen), daarna past men, bij gelegenheid, de grondwet aan (als dat nodig is).

Deze structuur is geen doel op zich. Deze structuur is noodzakelijk om de geldstroom naar Brussel te kunnen kanaliseren en heroriënteren. Want, paradoxaal, moet Vlaanderen, om de band met Brussel te versterken, de financiering van Brussel via de federale overheid vervangen door een gerichte financiering waarvan de resultaten controleerbaar zijn. Om dat te realiseren hebben, voor alles, we een goed werkende VGC nodig.

 

 

We zitten hoe dan ook opgescheept met Brussel en dat kost ons geld.

We moeten ons niet laten intimideren door de Franstalige propaganda die niet veel meer is dan bluf.

Wij hebben de wind in de zeilen.

Nooit werd er door zo veel niet Nederlandstaligen Nederlands geleerd als vandaag.

Nooit was het prestige van het Nederlands, ook en vooral in Brussel, zo groot als vandaag.

Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel barst uit haar voegen en bereikt een aandeel van ca. 25%

De Vlaams vijandigheid van de jaren 60 en daarvoor, bij de doorsnee Brusselse autochtonen is sterk afgenomen en heeft plaatsgemaakt voor respect en begrip. Nederlandstaligen worden in Brussel nog maar zelden afgesnauwd omwille van het gebruik van het Nederlands.

Wie het Nederlands niet machtig is vindt nog moeilijk een goede job.

Het ontbreekt de Vlaamse overheid, en de Vlaamse politieke wereld,  evenwel aan een lange termijn visie. Wat we moeten hebben is een stip aan de horizon waar we ons kunnen op richten en dan moeten regering en parlement de hand aan de ploeg slaan, nu, onmiddellijk.

Laten we ambitieus zijn: in Brussel, op termijn, een Nederlandstalige gemeenschap van

300 000 inwoners uitbouwen is geen utopie. Overigens, als Brussel als gewest wil overleven dan heeft het die mensen, meertalig en goed opgeleid, nodig.

Wij willen geen “apartheid” invoeren. Geen gedoe met lijsten, inschrijvingen of subnationaliteit. Wij opteren voor een open gemeenschap van autochtone en “nieuwe” Brusselaars, die de band met Vlaanderen willen versterken en daar vanzelfsprekend het Nederlands voor gebruiken.

Vlaanderen moet vermijden dat Brussel dit als een bedreiging gaat zien en daarom moeten we Brussel waarborgen geven, met name de waarborg dat het gewest, voor andere dan de persoonsgebonden materies van de Nederlandstalige gemeenschap, zichzelf mag blijven besturen.

Er moet, zonder dralen en zonder te speculeren op het uiteenvallen van België, (ook al moeten we daar op de achtergrond rekening mee houden) een Brussel Plan opgezet worden om werk te maken van de uitbouw en ondersteuning van een groeiende, open, Nederlandstalige gemeenschap in Brussel.

De uitbouw van een leefbare Nederlandsprekende gemeenschap in Brussel is “de rode draad” door ons Brussel Plan. Wij vertrouwen erop dat dit voor Brussel zowel als voor Vlaanderen een win-win situatie wordt, en dat er geleidelijk van een confrontatie overgestapt wordt  op een partnership Brussel-Vlaanderen.

Brussel 1657 Janssonius

We zien concreet een plan in drie stappen (die we hierna ‘versnellingen’ noemen om de dynamiek ervan te onderstrepen).

In een eerste versnelling wordt er, nog meer dan voorheen, ingezet op het Nederlandstalig onderwijs.

Om te beginnen moet men de VGC geherwaardeerd worden en meer slagkracht krijgen, zoals hierboven beschreven in het plan Vuye.

Vervolgens moet dit orgaan gebruikt worden om dotaties die men op federaal niveau schrapt, efficiënter en meer doelgericht, aan te wenden. Formeel is de Vlaamse regering hiervoor bevoegd, maar ze is, zoals hierboven aangehaald, niet assertief genoeg.

Zo, bijvoorbeeld zou de Vlaamse regering nu al kunnen zorgen:

De demografische  explosie die in Brussel verwacht wordt is zowel een uitdaging als en opportuniteit voor het Nederlandstalig onderwijs.

Misschien kan, in het kader van deze actiepunten, als de gemeenten daar interesse voor hebben, overwogen worden de gemeentescholen over te nemen van de gemeenten, om op die manier deficitaire gemeentefinanciën te verbeteren. Alleszins een veel betere aanpak dan de aanstelling van “Vlaamse”schepenen voor onderwijs, die nauwelijks Nederlands kennen, maar warvoor toch extra subsidies binnengerijfd worden, die dan verdwijnen in de grote pot.

Vervolgens kan er overgeschakeld worden naar een tweede versnelling: de uitbouw van de persoonsgebonden verzorgingen, waarvoor krachtens de grondwet, de Vlaamse regering ook nu al gemachtigd is, maar een bevoegdheid die helaas tot op heden dode letter gebleven is.

Het is niet de bedoeling op die manier ziekenhuizen en rust en verzorgingshuizen te reserveren voor uitsluitend Nederlandstalige patiënten. Deze instellingen moeten openstaan voor alle Brusselaars. Zij blijven tweetalig (wat ze nu niet zijn!), maar als instellingen van de Vlaamse gemeenschap zal een meerderheid van de artsen en het verplegend en administratief personeel Nederlandstalig zijn en zal de interne voertaal het Nederlands worden. Dat doet niets af aan de twee-, of beter nog, meertaligheid, naar buiten toe.

We weten ook wel dat we vandaag crisistijden beleven, maar voor wat voorgesteld wordt is geen extra geld nodig. Alleen moeten de dotaties aan het Brussels gewest anders georiënteerd worden.

Bleven we met onze eerst versnelling nog op het terrein van het Nederlandstalig onderwijs, waarvoor de Brusselse gemeentebesturen slechts een zeer matige interesse opbrengen, dan is het met de tweede versnelling wel de bedoeling echt zaken te doen met Brussel.

En dan mag niet uit het oog verloren worden dat om zaken te doen met het “echte” Brussel, men moet  afdalen tot het niveau van de 19 gemeenten en dan nog is er, om efficiënt te kunnen optreden, kennis van het terrein noodzakelijk: het gemeentelijk terrein.

Welnu, is er in de Vlaamse administratie een cel die zich met die problematiek bezig houdt? Is er in de Vlaamse administratie of op de kabinetten van de Vlaamse regering één ambtenaar of adviseur die weet wat er in gemeenten als Schaarbeek, Anderlecht, Ukkel… zich afspeelt en wat er nodig is.

Zijn er medewerkers die voeling hebben met de gemeentebesturen van die gemeenten?

Dit soort samenwerking verschilt essentieel van het z.g. overlegorgaan BMZ (Brussels Metroplitan Zone) dat men ons in het kader van de zesde staatshervorming wil opleggen.

Terecht is men in Vlaams Brabant wantrouwig en wil men daar niet aan mee doen.

Toch wel eigenaardig dat de Brusselse top politici, veelal in Brussel gedropte Waalse politici, nu ineens aansturen op samenwerking, nadat ze in de vorige decennia altijd op verovering uit waren.

De Vlaamse Rand heeft daar genoeg van en heeft in de afgelopen decennia een succesvolle economische en culturele ontwikkeling tot stand gebracht met degelijk onderwijs, eigen winkelcentra, industrieparken en een bloeiende dienstensector.

Vandaag kent Vlaams Brabant een quasi volledige tewerkstelling, meer nog, talrijke vacatures blijven open staan.

Brussel heeft ruzie gemaakt met zijn natuurlijke hinterland en ondervindt daar nu de gevolgen van.

Voor overleg en samenwerking zijn de Vlaamse inwoners van de Rand wel te vinden maar opgedrongen overleg aan de top lost niets op. Daar komen alleen maar vernederende toegevingen van.

En dan is er de derde versnelling.

Wat als België implodeert?

Als België verdwijnt, dan zal over het lot van Brussel niet in  Brussel beslist worden maar in Berlijn, Londen, Washington, Parijs, Moskou…  want deze revolutie zou dan gevaar opleveren voor de stabiliteit van de EU en haar hoofdstad.

Om te beginnen houdt de internationale gemeenschap niet van secessie. De Vlamingen doen er dus  goed aan daar geen programmapunt van te maken.

De Vlaamse strategie vertrekt best van een Belgisch kader waarin de democratie moet hersteld worden d.w.z. dat de grendels uit de grondwet moeten verdwijnen. Daar kan geen enkele recht geaarde democraat tegen zijn. Als de Walen daar niet kunnen mee leven moeten ze de Belgische confederatie verlaten. Zij moeten dat dan maar, internationaal, gaan uitleggen en een nieuwe sponsor zoeken.

Met Brussel kan het dan twee kanten op: ofwel verliest Brussel het statuut van EU hoofdstad en dat zou, voor Brussel, een economische ramp zijn, ofwel blijft Brussel de EU hoofdstad en dan is er binnen de EU geen meerderheid om de EU- hoofdstad, zij het onrechtstreeks, naast de twee ander EU beslissingscentra, Straatsburg en Luxemburg ook in de Franse invloedssfeer te plaatsen. Nu is “Brussel” in vele EU landen al een scheldwoord, dit zou het alleen maar erger maken.

Mocht het Belgische model imploderen en vervangen worden door een confederale structuur, dan worden in elk geval, als dat nog niet eerder gebeurd is, de noord-zuid transfers, grondig hertekend, de zg.” Copernicaanse omwenteling”.

De hele discussie over de betekenis van de term “confederalisme” beroert ons maar matig. De essentie van een copernicaanse omwenteling komt voor ons hierop neer: de belastingen worden geïnd door de Gewesten en de (sterk afgeslankte) centrale overheid wordt gefinancierd met dotaties.

Hoe men dat dan noemt laat ons koud.

Wallonië zal dan op eigen benen moeten staan en geld spenderen aan Brussel, wordt wel het laatste waar ze zullen aan denken want Wallonië is niet geïnteresseerd in een economische unie met Brussel. Wallonië kan Brussel economisch niet ondersteunen en omgekeerd ook niet. Zij beogen enkel een politieke unie om, zolang België nog bestaat, Vlaanderen met 2 tegen 1 politiek schaakmat te zetten. Met hun ongrondwettelijk Wallobrux proberen ze die politieke samenwerking te verstevigen door er een meer structurele basis aan te geven.

Dat blijkt overigens uit een Waalse strategie, al jaren toegepast , met name het droppen van Waalse politici op strategische plaatsen in Brussel. De transfers van Reynders en Onkelinx van Luik naar Brussel zijn daar de perfecte illustratie van. Brussel is voor Wallonië, in het Belgisch systeem, een politiek wingewest, meer niet. Wallonië beleeft vandaag een economische tragedie en de twee grote Waalse politieke partijen vinden er niets beter op dan hun meest invloedrijke politici in het Brusselse moeras te parkeren.

In een confederatie heeft de politieke confrontatie van twee tegen één geen zin meer. Een dergelijk conflict tussen soevereine partners zou de confederatie onmiddellijk doen uiteen spatten. Brussel zit dan in de tang want de eigen belastingen volstaan in de verste verte niet om een sluitende begroting op te stellen.

Als Vlaanderen de massale overheveling van belastinggeld naar Wallonië stopzet   komen er, om te beginnen, middelen vrij voor  de realisatie van een Vlaamse prioritaire doelstelling, met name de verlaging van de loonlasten in Vlaanderen. Maar ook komen er middelen vrij om een passende financiering van het Brussels gewest op te zetten. Vlaanderen moet deze kans grijpen.

En Brussel heeft geen andere keuze dan deze hulp te aanvaarden.

De Vlaamse investering in Brussel kan dan heel eind ver gaan; we denken aan:

zodat het Brussels gewest voldoende heeft aan zijn eigen inkomsten om de taak van hoofdstad op zich te nemen.

Maar, voor wat hoort wat. Deze hulp moet kaderen in een “partnership” dat afgesloten wordt met de gemeenten of zelfs het Gewest, die zich , als tegenprestatie, engageren voor een Vlaams vriendelijk beleid.

Ten slotte, als de zaken echt uit de hand lopen en ook een confederatie niet meer mogelijk is dan is er geen keuze meer. De internationale gemeenschap zal dan tussenkomen en beslissen. De meest waarschijnlijke oplossing zal dan zijn, dat Brussel een specifiek statuut krijgt, eventueel gewaarborgd door de EU, maar, op basis van geopolitieke overwegingen staatkundig bij Vlaanderen ingedeeld wordt (een oplossing dus geheel vergelijkbaar met wat er met Hong Kong is gebeurd, waar een Engels sprekende stad met een uitgesproken kapitalistische economie, staatkundig ingedeeld werd bij het historische, maar communistisch, moederland China).

Dit alles een utopie?

Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer

Bewaren

Bewaren

Bewaren