dartsboardEnkele kritische opmerkingen bij de studie van André Decoster en Willem Sas (Departement Economie van de KU Leuven - 6 juli 2017): Interregionale financiële stromen in België 2000 - 2020

VOORAF

Om mijn opmerkingen bij deze studie te verduidelijken is het wenselijk om mijn eigen standpunt expliciet te maken.

Definitie van een transfer

Een transfer is de berekening van het verschil tussen de uitgaven van de Federale Overheid en de Sociale Zekerheid (Entiteit I) in of voor de drie Gewesten en de ontvangsten die beide overheden hiervoor halen uit de drie Gewesten. De berekening van dit verschil is tegelijk de berekening van de hoeveelheid overgedragen/ontvangen koopkracht tussen de Gewesten.

De achterliggende bedoeling van een transferberekening is dus te weten welke Gewesten bijdragen in de financiering van de andere Gewesten en hoeveel. In keukentaal: welk Gewest is netto-betaler en welk Gewest is netto-ontvanger in het gemeenschappelijk huishouden, en voor hoeveel?

Hierbij gelden de volgende regels:

  1. De berekening moet kaderen binnen het geconsolideerd geheel van alle ontvangsten en alle uitgaven van Entiteit I.

  2. Er kunnen slechts transfers berekend worden indien de ontvangsten ten minste gelijk zijn aan de uitgaven. (Zo niet zouden er transfers berekend worden met geld dat de Gewesten niet hebben bijgedragen of meer prozaïsch: met geleend geld. M.a.w. het zouden transfers zijn op uitgaven waarvan een deel van het geld in de toekomst nog door de Gewesten zal moeten bijgedragen worden. Of nog anders: het zouden voor een deel fictieve transfers zijn in het jaar waarin de schuld ontstaat.)

  3. Er kunnen slechts transfers berekend worden op de uitgaven die per Gewest kunnen verdeeld worden. En opnieuw slechts in de mate dat er voldoende ontvangsten zijn die per Gewest kunnen verdeeld worden.

Er kunnen volgens mij geen meningsverschillen bestaan over de definitie van een transfer en de geldigheid van deze drie eenvoudige regels.

Er kunnen wel meningsverschillen bestaan m.b.t. o.a.:

  • De uitgaven die al of niet, of gedeeltelijk, in aanmerking komen voor een Gewestelijke verdeling. Bijvoorbeeld: de uitgaven voor Europa en andere internationale instellingen, de uitgaven voor het leger, …

  • De ontvangsten die al of niet, of gedeeltelijk, in aanmerking komen voor een Gewestelijke verdeling. Bijvoorbeeld: de dividenden van de Nationale Bank, de vennootschapsbelastingen, …

  • De nauwkeurigheid van de Gewestelijke verdelingen afhankelijk van de gebruikte verdeelsleutels. Wat dus ook een foutenmarge impliceert.

  • De opdeling of niet van de uitgaven in relevante groepen.

    • Een transfer kan uitgedrukt worden in één bedrag per Gewest. Dit is dan voor ieder Gewest het verschil tussen het totaal van alle gewestelijk verdeelde uitgaven en het totaal van alle gewestelijk verdeelde ontvangsten.(Waarbij tegenover het totaalbedrag van de gewestelijk verdeelde uitgaven hetzelfde totaalbedrag van de gewestelijk verdeelde ontvangsten moet gesteld worden.)

    • Het andere uiterste is dat men voor iedere uitgave een transfer berekent, uiteraard met eerbiediging van de hierboven geformuleerde spelregels. Het is nagenoeg uitgesloten dat er een uitgave zou bestaan waaraan geen transfer verbonden is.

    • Tussen beide uitersten zijn er veel groeperingen mogelijk. Bijvoorbeeld: de transfers verbonden met de financiering van Gewesten en Gemeenschappen; of voor Gewesten en Gemeenschappen afzonderlijk; de transfers verbonden met de uitgaven in de Sociale Zekerheid; of voor de afzonderlijke takken: werkloosheid, pensioenen, enz.

    • Hoe men de uitgaven ook indeelt, de som van de deeltransfers moet altijd gelijk zijn aan de totale transfer.

    • De som van de Gewestelijke transfers voor een bepaalde groep, zowel de deeltransfers als de totale transfer, moet gelijk zijn aan nul.

  • Het gebruik van één of verschillende financieringssleutels. Bijvoorbeeld een eigen financieringssleutel voor de uitgaven in de Sociale Zekerheid en dus een andere sleutel (of meerdere) voor de andere uitgaven zodanig dat het totaal van de transfers onveranderd blijft.

N.B. Ik stel vast dat er ook reuzegrote meningsverschillen bestaan over de vraag of er ook transfers kunnen bestaan op de uitgaven voor de rentelasten op de Overheidsschuld van Entiteit I. De logische vraag zou moeten zijn: waarom zouden er op deze uitgaven geen transfers zijn? Zie verder.

Stromen

In het Rapport wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de term “financiële stromen” als beeldspraak. Voor een goed begrip geef ik een schets van het stromenlandschap.

Het gaat niet om natuurlijke stromen. Enerzijds is er een complex geheel van leidingen in handen van een leger buizenfitters en pompbeheerders die volgens strikte wettelijke bepalingen de financiële middelen vanuit de Gewesten naar de spaarbekkens sturen van de Federale Overheid en de Sociale Zekerheid. Er zijn nogal wat lekken onderweg maar dit belet niet dat meer dan de helft van het inkomen van alle Belgen, inbegrepen de vennootschappen, in deze spaarbekkens gestort wordt. Deze twee spaarbekkens zijn verbonden door sluizen waar het geld van het spaarbekken “Federale Overheid” makkelijk overvloeit in dit van het spaarbekken “Sociale Zekerheid”. In feite gaat het om één spaarbekken, genoemd Entiteit I.

Wie naar het buizenstelsel kijkt ziet allerlei etiketten met namen zoals personenbelasting, BTW, sociale bijdragen, enz. enz. Dit is misleidend want er vloeien enkel euro’s. In de spaarbekkens komen vanuit de Gewesten enkel euro’s en je kunt niet meer zien van wie ze zijn en van waar ze komen.

Van hieruit gaan de inkomsten door een totaal ander complex van buizen, in handen van een ander leger buizenfitters en pompbeheerders, volgens nog veel complexere wettelijke en reglementaire bepalingen, naar de inwoners, organisaties, instellingen en bedrijven in de Gewesten.

Ook dit buizenstelsel hangt vol etiketten zoals: kinderbijslagen, pensioenen, dotaties aan de Gemeenschappen, subsidies aan bedrijven, steun aan OCMW’s, enz. enz. Ook in deze buizen vloeien er enkel euro’s.

De term spaarbekken is eigenlijk fout want het geld dat dagelijks binnenstroomt wordt nog dezelfde dag uitgegeven. De spaarbekkens staan dus voortdurend droog. Het is zelfs nog erger want alle Belgen geven samen (tous ensemble) méér uit dan ze bereid zijn bij te dragen aan hun overheid. Let wel voor de uitgaven die zij van hun overheid eisen. Een speciaal Agentschap zorgt ervoor dat er voortdurend bijgepompt wordt, m.a.w. schulden worden aangegaan opdat er ’s morgens een beetje euro’s in de spaarbekkens zou staan. Een deel van de jaarlijkse uitgaven wordt dus betaald met geleend geld. Al sedert 1951, met kleine uitzonderingen in een paar jaar, leven alle Belgen (tous ensemble) boven hun stand. Het gevolg hiervan is dat de overheidsschuld van Entiteit I ondertussen met enkele honderden miljarden is gestegen. Voor de periode behandeld in het rapport (2000 – 2020) zal het totaal van de uitgaven voor meer dan 130 miljard betaald worden met geleend geld (persoonlijke raming).

In de spaarbekkens vloeien er ook kleine stroompjes komende uit het buitenland en er gaan kleine stroompjes naar het buitenland.

In dit dor en armtierig landschap zijn er geen Vlaamse, Waalse of Brusselse spaarbekkens te bespeuren. Wie er zich toch mocht inbeelden omdat de Vlamingen meer bijdragen dan ze terugkrijgen, moet wel beseffen dat deze “overschotten” snel doorstromen naar de andere denkbeeldige gewestelijke spaarbekkens waar ze even snel opdrogen.

Spreken over de interregionale financiële stromen is dus zeer denk-beeldig. Dit geldt ook voor de transfers. Je ziet ze nergens stromen.

OPMERKINGEN BIJ HET RAPPORT

1. Verwarring tussen essentiële begrippen

In 2015 gaf de Vlaamse Regering de opdracht voor: “Een studie over de interregionale transfertstromen in België”. De studie heeft als titel gekregen: Interregionale financiële stromen in België 2000 – 2020.

Het verschil in woordgebruik is niet onschuldig. In de studie worden de woorden: interregionale financiële stromen, financiële stromen, en transfers voortdurend door elkaar gebruikt.

De definitie van een interregionale financiële stroom zou zijn: “Een interregionale financiële stroom belichaamt steeds een afwijking van een welbepaald ijkpunt, zowel wat betreft de individuele bijdragen tot, of ontvangsten vanuit de federale staatskas” (p 14). Een expliciete definitie van een transfer geven de auteurs niet. Maar uit heel het rapport blijkt dat de omschrijving van een interregionale financiële stroom ook geldt voor een transfer of wat zij een transfer noemen. Een stroom kan dus zowel betekenen een bepaalde ontvangst of uitgave als de afwijking ervan t.o.v. een ijkpunt.

Dit is behoorlijk verwarrend voor een aandachtige lezer die de studie wil begrijpen.

2. IJkpunten: overbodig en misleidend

Een van de merkwaardigste zaken in dit rapport is het gebruik van “ijkpunten” om de interregionale financiële stromen/transfers te bepalen, te berekenen, te behandelen, te becommentariëren. Bovendien worden deze ijkpunten verheven tot “wat we redelijke federale uitgaven- en inkomstenpatronen vinden.” (p 23)

Als er iets is wat een rekenaar van transfers zeker niet mag doen, dan is dat het invoeren van morele normen zoals het bepalen van wat redelijk, normaal of “juste” is. Bij de berekening van een transfer gaat het om de vaststelling van feiten. Zelfs om relatief eenvoudige feiten: het verschil tussen twee bedragen (zie definitie). De beoordeling van het bedrag in functie van welke criteria ook, is een subjectieve bezigheid die best gescheiden wordt van de berekening. Dit geldt ook voor analyse, duiding of politieke commentaar bij de transfers.

Er worden twee ijkpunten gebruikt: de Bevolkingsijking en de Inkomensijking.

De Bevolkingsijking: dit zijn geen transfers

Bij de bevolkingsijking worden de Federale ontvangsten, onderverdeeld in relevante groepen, zoals de diverse soorten belastingen en de sociale bijdragen, gewestelijk verdeeld en vergeleken met de gewestelijke verdeling van de bevolkingsaantallen. Voor de Federale uitgaven hetzelfde: de Federale uitgaven, onderverdeeld in relevante groepen, zoals de uitgaven in de verschillende takken van de sociale zekerheid en de dotaties aan Gewesten en Gemeenschappen, worden gewestelijk verdeeld en vergeleken met de gewestelijke verdeling van de bevolkingsaantallen.

Ontvangsten en uitgaven worden dus niet tegenover elkaar geplaatst om het verschil te berekenen. De relevante ontvangsten en de relevante uitgaven worden afzonderlijk beoordeeld (geijkt !?) door ze te vergelijken met de gewestelijke verdeling van de bevolking. Iedereen mag dit zeer interessant vinden, maar dit zijn geen transfers. Het zijn pogingen om (op een subjectieve manier, namelijk de zelfverklaarde redelijkheid) de inkomsten en de uitgaven te beoordelen op basis van een beoordelingscriterium; in dit geval de bevolkingsaantallen. Het is niet omdat in Vlaanderen het gewestelijk aandeel van de uitgaven voor geneeskundige verzorging groter is dan het aandeel in de bevolking, dat er een inkomende transfer is uit de andere Gewesten. Dit is pas het geval als het Vlaams aandeel in deze uitgave groter is dan het Vlaams aandeel in de federale ontvangsten.

Een groot deel van het rapport wordt gevuld met cijfers over deze bevolkingsijking. Dit zijn geen transfers maar beoordelingen. Ze toch transfers noemen is zeer misleidend, verwarrend, totaal overbodig, onzin.

Wat zou U denken van de oppervlakte als ijkpunt? Dan worden voor Brussel, een beetje groter dan Diksmuide, de uitgaven en ontvangsten niet beoordeeld (of geijkt) op basis van 10,51 % van de bevolking maar op basis van 0,53 % van de landoppervlakte. Onnozel? Inderdaad. Of een ijking op basis van de gewestelijke verdeling van het aantal km kust? Nog onnozeler? Inderdaad. Of op basis van de gewestelijke verdeling van het aantal werkenden in de private sector? Niet zo onnozel. Inderdaad. Maar allemaal overbodig, verwarrend, misleidend. Spielerei. Deze afwijkingen zijn geen transfers.

De Inkomensijking: dit zijn wel transfers, maar onzorgvuldig berekend

In plaats van het gewestelijk aandeel in de bevolking wordt nu het gewestelijk aandeel in de federale inkomsten als ijkingspunt gebruikt. Ook hier zit er een moreel aspect aan het ijkpunt. Het wordt verheven tot redelijkheid, tot iets zoals het hoort, tot iets zoals het normaal zou moeten zijn: “zijn de federale uitgaven aan de inwoners van een gewest in evenwicht met de bijdragen van dat gewest in de federale ontvangsten, dan krijgen de inwoners van dat gewest “waar voor hun geld” en is er sprake van een juiste teruggave, i.e. “juste retour” (p 26).

Een CVP-volksvertegenwoordiger heeft ooit gezegd dat de Vlamingen recht hadden op meer werkloosheidsuitkeringen. De juste retour leidt tot dit soort afwijkingen.

Formeel lijkt het alsof inwonersaantallen gewoon vervangen worden door bijdragen. Het had ook de gewestelijke verdeling van het regionaal bbp kunnen zijn of de tewerkstelling in de private sector. Het verschil is echter veel fundamenteler.

Bij de inkomensijking wordt gewoon het verschil gemaakt tussen de gewestelijke verdeling van een uitgave, een relevante groepen van uitgaven of het totaal van de uitgaven en de gewestelijke verdeling van de ontvangsten voor diezelfde uitgave, groepen van uitgaven of totaal van uitgav

en. Dit verschil stemt overeen met “onze” definitie van transfers. De morele toevoegingen “waar voor hun geld”, “juiste teruggave”, en “juste retour” zijn er teveel aan. Weg ermee. De inwoners van een Gewest krijgen van Entiteit I wat wetten en reglementen voorschrijven en ze betalen aan Entiteit I wat andere wetten en reglementen voorschrijven. Voor een uitgave of groep van uitgaven is het verschil gelijk aan de transfer. Niet meer, niet minder. Vooral niet moeilijker. Maar.

Maar met het voorbehoud dat de auteurs de hierboven genoemde regels niet toepassen. (zie Vooraf – Hierbij gelden de volgende regels.) Bij toepassing van regel 2 zouden de transfers zoals berekend volgens de inkomensijking in het rapport, met enkele honderden miljoenen euro moeten verminderd worden, vooral in de jaren met een groot begrotingstekort (de jaren 2005 en 2009 t.e.m. 2014). Zie verder “Transfers met geleend geld zijn gedeeltelijk fictief”.

3. Illustratie van de transfers in Vlaanderen volgens de twee ijkingen in 2015

We geven de bedragen voor het totaal, voor de splitsing in de drie relevante hoofdgroepen en voor de sociale zekerheid de splitsing in de relevante groepen (takken). Voor perimeter 1. en perimeter 2.

Tabel 1. Transfers* in VL in 2015
* aldus genoemd in het Rapport
in miljoen €

Relevante groepen

Methode A

Methode B

Perimeter 1.

Totaal (excl. Verloning verheidspersoneel)

5 831

6 823

Federale Overheid

887

4 174

Dotaties

2 658

871

Sociale Zekerheid

2 225

1 789

Pensioenen

-93

-1 366

Werkloosheid

852

488

Ziekte & Invaliditeit

549

218

Gezondheidszorg

835

-292

Kinderbijslag

-

-

diverse

73

Sociale bijdragen

-

2 689

Totaal sociale zekerheid
(excl. kleine relevante groepen)

2 216

1 737

Perimeter 2.

Verloning overheidspersoneel

620

252

Totaal inclusief overheidspersoneel

6 451

7 055

 

Is er nu in Vlaanderen m.b.t.

  • de dotaties aan Gewesten en Gemeenschappen: een uitgaande transfer van 2.700 miljoen of van 900 miljoen?

  • de pensioenen: een inkomende transfer van 100 miljoen of van 1.400 miljoen?

  • de gezondheidszorg: een uitgaande transfer van 800 miljoen of een inkomende van 300 miljoen?

  • de sociale bijdragen: geen transfer of toch een uitgaande van 2.700 miljoen?

Examenvraag 1: Waar dient deze wetenschappelijke studie voor? Antwoord: alle antwoorden zijn goed.

Examenvraag 2: Welke methode stemt overeen met de inkomensijking? Antwoord: methode A.

Examenvraag 3: waarom A? Antwoord: Omdat de transfer in de sociale bijdragen gelijk is aan nul. Want: in de redenering dat een transfer een afwijking is t.o.v. een ijkpunt, is er bij de inkomensijking vanzelfsprekend geen afwijking tussen de gewestelijke verdeling van de bijdragen en de gewestelijke verdeling van de bijdragen. Toch overbodig knap?

Examenvraag 4: als twee wetenschappelijk geijkte methoden voor de meting van eenzelfde feit, namelijk de transfer in een relevante groep, dergelijke uiteenlopende resultaten geven, welke methode is dan fout? A? B? of beide? Antwoord B is zeker fout. Antwoord A ook een beetje, gaande tot enkele honderden miljoenen in meerdere jaren: zie hierboven 2. / de ijkpunten /de inkomensijking / het voorbehoud in de laatste alinea.

 

Examenvraag 5 (voor grote onderscheiding): Als het aandeel van Vlaanderen over heel de periode 2000 – 2020 voor de inkomensijking ruim 4 % hoger is dan het bevolkingsaandeel, hoe kan de totale transfer volgens de inkomensijking over heel de periode lager zijn dan volgens de bevolkingsijking? Stuur mij uw antwoord a.u.b.

 

4. De perimeter: de rentelasten worden niet meegenomen en de salarissen van het overheidspersoneel liever ook niet

Niet alle ontvangsten en niet alle uitgaven worden meegenomen

Bij berekeningen van transfers in het domein van de Federale Overheid en de Sociale Zekerheid worden nooit alle ontvangsten en alle uitgaven meegenomen. Omdat het voor bepaalde ontvangsten en uitgaven zeer moeilijk is om ze gewestelijk te verdelen. Hoe zouden de dividenden van de Nationale Bank moeten verdeeld worden? Volgens het aantal inwoners? Volgens de bedragen van de deposito’s bij de verschillende banken? Volgens de export? Hoe zouden de dividenden van Belfius moeten verdeeld worden? Volgens het aantal Arco-klanten? Hoe zouden de subsidies aan de NMBS moeten verdeeld worden? Volgens het aantal reizigerskilometers? Volgens de bedragen aan toegestane kortingen? Hoe zouden de kosten van het leger moeten verdeeld worden? Volgens het aantal inwoners? Of volgens de waarde van het te verdedigen patrimonium? Voorstellen zijn zeer welkom.

In het Rapport worden twee perimeters afgebakend (Tabel 9 p 32)

4.1 Perimeter 1 bevat de ontvangsten en de uitgaven die min of meer overeenstemmen met deze die in de meeste transferberekeningen worden meegenomen. Uitzondering: de verloning van het overheidspersoneel, zijnde een uitgave van 8,4 miljard in 2015.

 

4.2 Perimeter 2 is gelijk aan Perimeter 1 plus de verloning van het overheidspersoneel.

De auteurs hebben de verloning van het overheidspersoneel duidelijk tegen hun zin meegenomen. Want als reden noemen ze: “Dit op vraag van de opdrachtgevers van de studie.” (p. 4) en als argument: de Nationale Bank neemt die ook niet mee. Want “Het zijn geen overdrachten, dat wil zeggen betalingen zonder rechtstreekse tegenprestatie. De ambtenaren hebben een directe tegenprestatie, zijnde de geleverde arbeid”. (p. 4 voetnota 2)

Er zijn nog plaatsen in deze studie waar de auteurs geen eigen mening hebben of ze niet verdedigen maar zich verschuilen achter “zoals in andere studies het geval is”.

Als gehandicapten een uitkering krijgen, zijn er wel ambtenaren nodig die zorgen voor de administratie. Hetzelfde voor alle uitkeringen in de sociale zekerheid. Heel de overheidsadministratie is er voor de burgers. Of niet? En wie betaalt ze? Als we op restaurant gaan moeten we niet alleen betalen wat er op ons bord ligt maar ook een deel van het personeel, de uitrusting, de energie en de winst.

Ten andere, meer dan de helft van de uitgaven in perimeter 1 en 2 zijn geen uitkeringen zonder tegenprestatie zoals de N.B.B. bedoelt, maar financiële middelen om prestaties te betalen. Bijvoorbeeld via de geneeskundige verzorging: de betaling van dokters, verplegers, medicamenten, uitrusting en gebouwen. Via Gewesten & Gemeenschappen: de betaling van het onderwijzend personeel. Zelfs de pensioenen zijn in grote mate een uitgestelde betaling voor geleverde prestaties.

Het feit dat 53 % van het overheidspersoneel op de Nederlandse taalrol staat is een sterke indicatie (betrouwbare verdeelsleutel) om de kosten van het overheidspersoneel toe te wijzen aan de inwoners en dus de Gewesten waar ze voor werken. Niet alleen de kosten van de verloning zouden moeten meegenomen worden maar bovenop een toeslag voor de kosten die nodig zijn om dit personeel te laten werken (informatica, burelen, uitrusting, enz.).

De transfers binnen perimeter 2 volgens de inkomensijking (Tabel 3, p. 10) is dus de beste weergave van de transfers uit deze studie (maar onvolledig en niet correct berekend). Dat er van de honderd bladzijden maar een paar hieraan besteed werden illustreert dat de vraag van de opdrachtgevers dik tegen de zin van de auteurs was.

Het is wel een verdienste van de auteurs om op de omvang van de niet-meegenomen ontvangsten en uitgaven te wijzen, zij het indirect, onvolledig en onnauwkeurig (Tabel 9, p. 32 enkel voor het jaar 2015).

De meegenomen gewestelijk verdeelde ontvangsten bedragen 152,752 miljard of 90,9 % van alle ontvangsten, dus van 168,044 miljard.

Van alle ontvangsten wordt dus 15,3 miljard niet meegenomen in beide perimeters, wegens gewestelijk niet verdeelbaar.

De meegenomen gewestelijk verdeelde uitgaven drukken ze niet uit als een percentage van alle uitgaven maar als een percentage van de primaire uitgaven. Dit is verwarrend. Vermoedelijk beschouwen ze de rentelasten niet als een uitgave.

In perimeter 1 bedragen de meegenomen gewestelijk verdeelde uitgaven 128,570 miljard of 74,4 % van alle uitgaven, dus van 172,836 miljard. In deze perimeter wordt dus 44,3 miljard niet meegenomen.

In perimeter 2 bedragen de meegenomen gewestelijk verdeelde uitgaven 136,944 miljard of 79,2 % van alle uitgaven. In deze perimeter wordt dus 35,9 miljard niet meegenomen.

4.3 De rentelasten: worden niet meegenomen, noch in perimeter 1 noch in perimeter 2. Zij rechtvaardigen dit in een afzonderlijk hoofdstuk. Zie verder: 7 / 9.1 / 9.3

Indien ook de rentelasten in perimeter 2 zouden meegenomen worden dan zouden er uiteindelijk nog 25,4 miljard aan uitgaven overblijven die gewestelijk niet kunnen verdeeld worden of in ieder geval niet verdeeld zijn.

De omvang van de niet gewestelijk verdeelde bedragen (15 miljard ontvangsten en 25 miljard uitgaven) lijkt mij zeer redelijk.

Het is echter nagenoeg uitgesloten dat er op deze bedragen geen transfers zouden zijn. Het zou zeer vreemd zijn dat er op bijna alle gewestelijk verdeelbare uitgaven, in Vlaanderen uitgaande transfers zijn en dat dit niet het geval zou zijn op de gewestelijk onverdeelbare uitgaven. Getuigt het dan van vooringenomenheid om te stellen dat er vermoedelijk in Vlaanderen nog een uitgaande, maar niet bewezen, transfer bestaat van meer dan 500 miljoen per jaar op de niet verdeelde uitgaven?

5. De uitgaven worden voor een deel betaald met geleend geld en dus zijn de transfers op deze uitgaven gedeeltelijk fictief.

In Tabel 9 (m.b.t. 2015) wordt de bedrieglijke indruk gewekt dat er voldoende ontvangsten zijn (152,8 miljard) om de uitgaven (136,9 miljard in perimeter 2) te betalen. Deze indruk ontstaat omdat er niet uitgegaan wordt van een geconsolideerd totaalbeeld van Entiteit I.

Dan zou blijken dat het totaal van de ontvangsten 168,0 miljard bedraagt en het totaal van de uitgaven 172,8 miljard bedraagt. Dus een tekort van 4,8 miljard of 2,77 % van het totaal van de uitgaven.

In de periode 2000 – 2015 bedroeg het tekort (vorderingssaldo) van Entiteit I meer dan 100 miljard of 4,34 % van alle uitgaven. De uitgaven konden maar betaald worden als er leningen werden aangegaan voor de tekorten. De auteurs hebben dus transfers berekend waarvan een deel van het geld in de Gewesten niet beschikbaar was en dus ook niet kon getransfereerd worden. Als de schuldenberg in de toekomst zal afgebouwd worden met overschotten op de begroting dan zullen er op de schuldverminderingen wel transfers moeten berekend worden.

Daarom, vooraleer de werkelijke transfers te berekenen, moeten alle uitgaven verminderd worden met het percentage van de uitgaven dat gefinancierd wordt met leningen. In de jaren 2009 – 2012 lagen deze percentages tussen 7,25 en 10,31 %. De transfers in perimeter 2 zijn in die jaren “opgeblazen” met jaarlijks 500 à 600 miljoen. (In de andere jaren dan uiteraard veel minder.)

6. Transfers volgens het werkplaatsprincipe: om te lachen

Dit doet meteen denken aan de berekening van het Bruto Binnenlands Product per Gewest. Deze berekening probeert een antwoord te geven op de vraag: hoeveel productie (welvaart) komt er tot stand op een bepaald grondgebied (Gewest)? Deze berekening gebeurt uiteraard op basis van de werkplaats. Door het groot aantal pendelaars dat dagelijks vanuit Vlaanderen en Wallonië naar Brussel gaat werken stijgt het bruto binnenlands product van het Brussels Gewest aanzienlijk t.o.v. de bijdrage van de Brusselse werknemers in hun Gewest. Dit geeft dan de indruk dat Brussel een welvarend Gewest is niettegenstaande de tewerkstellingsgraad een zesde lager is en de werkloosheidsgraad en het armoederisico driemaal groter zijn dan in Vlaanderen.

Onder het mom van een gevoeligheidsanalyse beweren de auteurs dat ze ook de transfers berekend hebben volgens het werkplaatsprincipe. Uiteraard op hun manier: voor de pendelaars naar Brussel beschouwen ze de personenbelasting en de sociale bijdragen van werknemer en werkgever als bijdragen van de Brusselse grond. Alle andere financiële stromen blijven ongewijzigd en worden behandeld volgens het woonplaatsprincipe. M.a.w. de lusten van de pendel gaan naar Brussel en de lasten blijven in Vlaanderen en Wallonië. Wat wij geldroof zouden noemen, noemen de auteurs een principe. Indien de pendel voor Brussel een last zou zijn dan bestaat er een veel doeltreffender middel: belasting op tewerkstelling, ook van de buitenlandse werknemers.

Ziehier het resultaat van hun wetenschappelijke berekeningen.

Tabel 2. Transfers* in BHG in 2014 volgens Werkplaatsprincipe
(bevolkingsijking /perimeter 1)
vergeleken met Transfers volgens Bevolkingsijking en Inkomensijking
* aldus genoemd in het Rapport

Relevante groepen

Bevolkingsijking

Inkomensijking

Werkplaats

in miljoen €

in miljoen €

Totaal

242

400

11 104

Fed. Overheid

-367

-10

5 856

Dotaties

650

720

5 290

Sociale Zekerheid

-41

-309

-41

per capita

per capita

Totaal

207

342

6 413

 

Naargelang uw voorkeur voor één van deze drie wetenschappelijke methodes kunt U dus beweren of geloven of voortvertellen dat er in Brussel een uitgaande transfer is van 242 miljoen, of 400 miljoen of 11.104 miljoen. Als U denkt dat 11,1 miljard bij benadering de waarheid is, of kan zijn, dan kunt U beter niet verder lezen; tenzij om nog meer tijd te verliezen.

In Brussel zijn er ongeveer 1.170.000 inwoners. Ieder normaal denkend mens ziet dan een transfer van bijna 10.000 euro per capita. Of 20.000 per gezin, gemiddeld. Of 40.000 euro per gezin van vier personen, bijvoorbeeld. Zo ongeloofwaardig dat het beschamend zou zijn om dit te publiceren. Maar wetenschappers zien dat anders. Zij hebben “de gewestelijke bevolkingsaantallen gecorrigeerd door rekening te houden met de netto-pendelstromen”. (p. 81 voetnota 19). M.a.w. het aantal Vlamingen en Walen dat naar Brussel gaat werken werd verminderd met het aantal Brusselaars dat naar Vlaanderen en Wallonië gaat werken. In verstaanbare taal: de mensen die buiten hun Gewest gaan werken worden beschouwd als inwoners van dat Gewest (en blijven inwoners van hun Gewest wat de uitkeringen betreft.)

Wat blijkt? Als een transfer van 11,1 miljard gelijk is aan 6.413 euro per capita (zie Tabel 2) dan is er gerekend met 1.731.483 “inwoners” in BHG (echte en netto ingevoerde). Dit is 562.000 meer dan de bevolking van BHG.

Wat blijkt nu? Dat de netto-pendel 295.000 bedroeg (bron: EAK – Enquête naar de Arbeidskrachten 2014).Heeft men dan ook de kinderen en de niet-werkende partner van de pendelaars meegeteld? Wat is dit voor een magistrale wetenschappelijke onzin? Een berekeningswijze (pardon, een principe) waarin men werkplaats en bevolkingsijking (woonplaats) door elkaar klutst; waarin geen plaats is voor een inkomensijking (nochtans de enige methode die een juiste transferberekening benadert); met als gevolg dat er enkele miljarden toegevoegd worden aan de inkomsten uit het Brussels Gewest; die dan toch geen euro verschil geven op de transfers in de financiering van Gewesten en Gemeenschappen.

7. Transfers op de interestlasten: Ten onrechte als dubbeltelling beschouwd

Als er voor de Vlaamse Regering redenen waren om een studie te betalen over de transfers, dan was wellicht de belangrijkste om nu eindelijk eens wetenschappelijke duidelijkheid te krijgen over de vraag of er op de rentelasten een transfer kan bestaan? En indien ja, hoe groot die dan wel is?

Het antwoord komt meteen: “er gebeurt ontegensprekelijk een dubbeltelling wanneer men de interestbetalingen toevoegt aan de (in het rapport) berekende financiële stromen” (p 85). Hoezo? De interesten moeten evengoed betaald worden als alle andere uitgaven. Hoe kan dit nu een dubbeltelling veroorzaken?

Om hun dubbeltelling te bewijzen gaan de auteurs uit van de stelling dat “de federale staatsschuld het rechtstreeks gevolg is van de primaire saldi in het verleden” (p 85). Fout. De staatsschuld is het gevolg van begrotingstekorten (vorderingssaldi). Het primair saldo kan positief zijn en na aftrek van de rentelasten tot een begrotingstekort en dus een schuld leiden. Als het primair saldo negatief is zal het na aftrek van de rentelasten tot een nog groter begrotingstekort leiden en dus een nog grotere schuld.

Maar het gaat helemaal fout als ze “veronderstellen dat de gewesten in het verleden steeds hun eigen federale tekorten moesten financieren op de financiële markten, waardoor er een federale schuldopbouw ontstaat voor ieder gewest” (p 86). Deze veronderstelling is de ontkenning van de essentie van de transfers: een overdracht van koopkracht tussen de Gewesten. Als de uitgaven in het Vlaams Gewest kleiner zijn dan de ontvangsten uit het Vlaams Gewest dan blijft het overschot niet in het Vlaams Gewest maar wordt het overgedragen, getransfereerd, naar één of twee andere Gewesten. On ne peut pas avoir le beurre et l’argent du beurre. Iedere Vlaamse boerin weet dit. Er ontstaat dus geen opbouw van tegoeden of afbouw van schulden in het Vlaams Gewest. Anderzijds wordt met deze overgedragen koopkracht, de transfers, de tekorten in de andere Gewesten perfect op nul gebracht. In de ontvangende Gewesten ontstaat er dus ook geen opbouw van schulden. De som van de transfers is altijd nul. Ze hebben dus voor geen euro invloed op het ontstaan, de evolutie noch de afbouw van de overheidsschuld.

Geen enkel Gewest moest in het verleden zijn eigen federale tekorten financieren, want ze hadden er geen. Dank zij de transfers! Dit wel veronderstellen wijst op een heel andere hypothese, namelijk dat de Gewesten onafhankelijk waren. In dat geval ontstaan er, al de rest gelijk zijnde, in de Gewesten met tekorten oplopende schulden, te financieren op de financiële markten, met een sneeuwbal effect op de oplopende schulden en rentelasten als gevolg. Ofwel berekent men transfers tussen eenheden binnen een staat waar solidariteit bestaat, en dan ontstaan er geen onderlinge schulden tussen de eenheden. Ofwel rekent men tussen onafhankelijke eenheden/staten en dan zijn er geen transfers. Het is het één of het ander.

Het is wel waar dat er in Vlaanderen meerdere transferberekeningen gemaakt zijn waarin ook transfers op de rentelasten werden berekend in de veronderstelling van onafhankelijke Gewesten. Dit gaf dan ook hallucinant exploderende schulden en rentelasten in Wallonië en imploderende schulden t.e.m. tegoeden en renteopbrengsten in Vlaanderen. Met adembenemende transfers op de rentelasten als gevolg. De auteurs hebben dus gelijk als ze deze benadering verwerpen wegens “dubbeltelling” en “herhaalde dubbeltelling” (p 89). Ik zou zeggen: wegens vermenigvuldiging. Of gewoon onzin.

Het feit dat ze bewijzen dat een foutieve methode tot “herhaalde dubbeltellingen” leidt wil niet zeggen dat er op de rentelasten geen transfers zouden zijn of dat ze een dubbeltelling zouden zijn.

De rentelasten voor Entiteit I zijn een uitgave zoals alle andere. In principe is iedere uitgave vatbaar voor een transfer. Kent U één uitzondering? Eén? Eentje? Een kleintje? D.w.z. een uitgave die over de Gewesten verdeeld is in exact dezelfde verhouding als deze van de ontvangsten uit de Gewesten. Laat het mij weten a.u.b.

8. Boven onze stand leven kost geld: de terugbetalingen van de schulden + de rentelasten er bovenop.

De Belgen, tous ensemble, leven al 65 jaar boven hun stand. Ze willen eerst krijgen en genieten. En later betalen met geld dat in waarde verminderd is en de rentelasten er bovenop. De schulden en de kosten ervan zijn democratisch gestemd in het parlement (tous ensemble).

De belastingbetalers hebben in de laatste 65 jaar geen schulden afgebouwd. De schulden werden op hun vervaldag keurig terugbetaald met nieuwe schulden en ieder jaar kwamen er nog schulden bij.

Of boven onze stand leven verstandig was of niet, doet er niet toe. Het heeft wel een prijs met daaraan verbonden transfers:

  • in de vorm van terugbetalingen van de schulden, vroeg of laat.

  • In de vorm van rentelasten, jaarlijks zodra de schulden beginnen te lopen.

De rentelasten zijn oorzakelijk verbonden met de schulden en de schulden zijn oorzakelijk verbonden met de begrotingstekorten. Voor het berekenen van deze twee transfers is er dus maar één wezenlijke vraag: hoe kunnen de begrotingstekorten van Entiteit I toegewezen worden aan de Gewesten? En vanaf wanneer? 1830? 1914? 1940? 1951? 1980?)

  • Heeft de aanleg van het Albertkanaal begrotingstekorten veroorzaakt? Indien ja, moeten die dan toegewezen worden aan het Vlaams Gewest? Of ook voor een deel (hoe groot?) aan Luik en dus Wallonië?

  • Dezelfde vraag naar het effect op de begroting moet gesteld worden m.b.t. :

    • de aankoop van F16-vliegtuigen

    • de verhoging van de kustwering tegen stijgend zeewater

    • de steun aan de industriële sectoren in de jaren 1950/60/70

    • de subsidies aan de Belgische spoorwegen

    • de financiële steun aan de banken in 2008

    • enz. enz.

  • - Hoe groot is het effect van dergelijke specifieke uitgaven op het totaal van de historisch gecumuleerde begrotingstekorten?

  • - Is het algemene effect van “boven zijn stand leven” niet veel groter?

De moeilijkheidsgraad van deze vragen is van dezelfde aard als deze waarom jaarlijks een deel (ongeveer 20 %) van de uitgaven niet gewestelijk kan verdeeld worden. Toch is het kennen van de transfers op 80 % van de uitgaven zeer relevant en waardevol. Dit is wat de auteurs ook doen, of toch proberen. (Zie 4. perimeter.)

Zou dan niet op een gelijkaardige manier een groot deel van de schuld gewestelijk kunnen verdeeld worden? Bijvoorbeeld het deel dat oorzakelijk nauw verbonden is met “het leven boven onze stand”?

9. Transfers op de terugbetalingen van de schuld en op de rentelasten

 

9.1 Voorstel

In afwachting van historisch onderzoek worden de overheidsschuld en de rentelasten die er het gevolg van zijn, gewestelijk verdeeld in dezelfde verhouding als de verdeling van de gecumuleerde uitgaven per Gewest, zo ver mogelijk teruggaand in het verleden. Wie heeft een beter voorstel? Laat het mij weten a.u.b.

9.2 Transfers op de terugbetalingen van de schuld. Met voor Vlaanderen een toekomstige transfer van mogelijk 25 miljard.

Het is logisch (en ook eenvoudig) om de transfers te berekenen in het jaar waarin de uitgaven zich voordoen. Zoals de transfers op de pensioenen in de jaren dat ze uitgekeerd worden.

Volgens de huidige verwachtingen zullen er begrotingsoverschotten zijn vanaf 2020. Dan kan de afbouw van de overheidsschuld beginnen. We zijn dit in België niet gewoon. Het zal dus wennen worden aan begrotingen waar bij de uitgaven een post “schuldaflossingen” zal staan. Een (jaarlijkse?) uitgave zoals alle andere waarop er dus ook transfers zullen ontstaan. Bij toepassing van ons voorstel (zie punt 9.1) zal de transfer gelijk zijn aan het verschil tussen de schuldaflossingen, gewestelijk verdeeld in verhouding tot de historisch gecumuleerde uitgaven per Gewest, en de ontvangsten van het jaar waarin de terugbetaling gebeurt, gewestelijk verdeeld zoals voor alle andere transferberekeningen indien er maar één financieringssleutel gebruikt wordt.

Als de schuld van Entiteit I in 2020 op haar hoogtepunt zal zijn kunnen we nu al bij benadering een raming maken van het prijskaartje dat er aan de uitgaande transfers voor Vlaanderen zal hangen: 25 miljard voor de volledige aflossing van de schuld, te spreiden over de jaren waarin schulden afgelost worden. Of concreter: een transfer van ruim 500 miljoen per schijf van 10 miljard aflossingen. (In de veronderstelling dat het Vlaams aandeel in de bijdragen aan Entiteit I ongewijzigd blijft. Misschien zal dit aandeel een beetje dalen en dit van de andere Gewesten stijgen.)

Deze transfers op de schuldaflossingen zijn ook de logische grondslag voor regel 2. in het woord Vooraf van dit artikel. Als we transfers berekenen op de uitgaven in het jaar waarin ze zich voordoen dan kunnen we geen transfers berekenen op uitgaven die gefinancierd worden met geleend geld. Transfers op schulden ontstaan bij de terugbetaling, niet bij het aangaan van de schuld. De auteurs volgen deze regel niet en daarom is een deel van hun transfers fictief. Ik zou dat deel ook voorbarig kunnen noemen. In ieder geval komt het er op neer dat de auteurs de transfers “opblazen” in de jaren met begrotingstekorten.

9.3 De transfers op de rentelasten.

Hier is er niets mysterieus of uitzonderlijk aan. Ze kunnen berekend worden zoals alle andere transfers: het verschil tussen de rentelasten, zijnde de uitgaven, gewestelijk verdeeld in verhouding tot de historisch gecumuleerde uitgaven per Gewest, en de ontvangsten, gewestelijk verdeeld zoals voor alle andere transferberekeningen indien er maar één financieringssleutel gebruikt wordt.

De gewestelijke verdeling van de rentelasten is het enige punt waarop de auteurs een betekenisvolle toegevoegde waarde aan de bestaande transferberekeningen hadden kunnen leveren. Niet dus. Nog erger: zij beweren dat transfers op de rentelasten een dubbeltelling zouden zijn. Conceptueel is hier geen enkele reden voor denkbaar.

 

SAMENVATTING en BESLUIT

 

Nog eens mijn uitgangspunt met de definitie van een transfer: Een transfer is de berekening van het verschil tussen de uitgaven van de Federale Overheid en de Sociale Zekerheid (Entiteit I) in of voor de drie Gewesten en de ontvangsten die beide overheden hiervoor halen uit de drie Gewesten.

Het is dus de vaststelling van een feit, niet meer, niet minder en vooral niet moeilijker.

1. Een transfer is de objectieve vaststelling van een feit en heeft niets te maken met wat normaal of redelijk is.

De auteurs geven geen expliciete definitie van een transfer. Maar wel: “Een interregionale financiële stroom belichaamt steeds een afwijking van een welbepaald ijkpunt, zowel wat betreft de individuele bijdragen tot, of ontvangsten vanuit de federale staatskas”. En verder, zo’n ijkpunt is: “wat we redelijke federale uitgaven- en inkomstenpatronen vinden.” Een transfer heeft volgens de auteurs dus een moreel karakter. Ik ben het hier niet mee eens.

Zij gebruiken twee ijkpunten.

2. IJkpunten zijn overbodig en zelfs misleidend.

De bevolkingsijking: de procentuele verdeling van de bevolking in de drie Gewesten. Hiermee worden de individuele bijdragen tot en de ontvangsten vanuit de federale staatskas vergeleken. De afwijkingen noemen zij transfers. Dit zijn geen transfers maar beoordelingen van bijdragen en ontvangsten t.o.v. een subjectief beoordelingscriterium. Zo kan men nog veel andere beoordelingscriteria bedenken. Allemaal met andere afwijkingen als gevolg.

De inkomensijking: de procentuele verdeling van de Gewestelijke bijdragen tot de federale staatskas. Hiermee worden de ontvangsten vanuit de federale staatskas vergeleken. Deze ijking stemt overeen met de definitie van een transfer zoals hierboven als uitgangspunt gesteld.

3. De grote verschillen tussen beide ijkingen vragen naar de waarheid.

De grote verschillen tussen de “afwijkingen” volgens de bevolkingsijking en de inkomensijking, vooral voor hoofdgroepen en subgroepen, tonen aan dat de bevolkingsijking geen berekening is van transfers. (Zie Tabel 1.)

4. De auteurs nemen niet altijd, maar wel tegen hun zin, de verloning van het overheidspersoneel mee.

Zij doen dit enkel omdat de opdrachtgevers ernaar gevraagd hebben. Nochtans zijn dit voor Entiteit I uitgaven zoals alle andere. Bovendien op basis van de taalrol vrij betrouwbaar gewestelijk te verdelen. Ik vind dat de verloning nog zou moeten verhoogd worden met een toeslag voor de werkingskosten. De meeste Tabellen in het rapport bevatten de verloning van het overheidspersoneel niet.

De rentelasten worden helemaal niet opgenomen. Zie verder.

5. Bijna ieder jaar worden uitgaven voor een deel betaald met geleend geld. De transfers op deze uitgaven zijn dan ook voor een deel fictief.

Omdat de auteurs niet vertrekken van een geconsolideerd overzicht van alle ontvangsten en alle uitgaven van Entiteit I zien zij niet, wat zij nochtans zeer goed weten, dat een beduidend deel van de uitgaven betaald wordt met geleend geld. Zij rekenen alsof het geld wel in de Gewesten beschikbaar is. Hierdoor zijn alle transfers, of wat de auteurs transfers noemen, voor een deel fictief. In de periode 2009 – 2012 zijn de transfers “opgeblazen” met 500 à 600 miljoen euro per jaar. In de andere jaren was dit bedrag veel kleiner.

6. Transfers volgens het werkplaatsprincipe: om te lachen.

De auteurs maken ook een berekening van de transfers volgens het werkplaatsprincipe. Zo komen zij aan een uitgaande transfer uit BHG van 11,1 miljard. De transfer per capita zou dan bijna 10.000 euro zijn. Maar door de pendelaars mee te tellen bij de inwoners van Brussel, vermoedelijk vrouw en kinderen inbegrepen, en ze in hun woongewest te laten voor de uitkeringen, zou de uitgaande transfer per capita “maar” 6.413 euro bedragen. Te gek om los te lopen.

7. Transfers op de rentelasten: ten onrechte beschouwd als een dubbeltelling.

De auteurs wijzen naar de berekeningen van anderen waar de transfers op de rentelasten inderdaad als een soort meervoudige dubbeltelling kan gezien worden. Eigenlijk gaat het om berekeningen die uitgaan van onafhankelijke Gewesten. De auteurs hebben gelijk als ze deze berekeningen als totaal fout of onbruikbaar beschouwen. Dit is echter geen argument om transfers op de rentelasten als een dubbeltelling te zien. Rentelasten zijn een uitgave zoals alle andere en dus per definitie vatbaar voor transfers.

8. Boven onze stand leven kost twee keer geld.

1) om de schulden af te betalen. Dit zou binnen enkele jaren kunnen beginnen. Dan ontstaat er een nieuwe transfer: transfer op de uitgaven voor de schuldafbouw. Voor de volledige afbouw van de schulden van Entiteit I. gaat het voor Vlaanderen om een mogelijk transferbedrag van 25 miljard. De auteurs hebben hier geen oog voor.

2) om de rentelasten te betalen (zie hiervoor punt 7.)

9. Voorstel

Voor de berekening van de twee hiervoor genoemde transfers worden aan de uitgavenzijde (in afwachting van historisch onderzoek) de terugbetaalde overheidsschulden en de rentelasten gewestelijk verdeeld in dezelfde verhouding als de verdeling van de gecumuleerde uitgaven per Gewest, zo ver mogelijk teruggaand in het verleden.

10. Besluit: geen toegevoegde waarde maar wel voor elk wat wils.

De auteurs kunnen zeer deskundig zijn in openbare financiën, fiscaliteit en fiscale modellenbouw, maar van transfers hebben ze niet veel kaas gegeten. Dit rapport biedt geen toegevoegde waarde t.o.v. de bestaande berekeningen. Integendeel. Ze hebben wel veel moeite gedaan maar conceptueel zijn er tal van fouten en gebreken zoals in dit artikel aangetoond. Het gevolg is dat de lezer verdwaald achterblijft in een bos van zeer uiteenlopende transfers; ook over één welbepaalde uitgave of groep van uitgaven; en blijft zitten met de vraag: maar wat is nu de echte transfer en hoe groot is die? De auteurs zeggen hier niets over maar lijken de voorkeur te geven aan de transfers volgens de bevolkingsijking. Wat geen transfers zijn maar een beoordeling van ontvangsten en uitgaven t.o.v. een willekeurig, in ieder geval persoonlijk, naar hun mening zelfs moreel, beoordelingscriterium.

Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat de veelheid van berekeningsmethoden en de zeer uiteenlopende transferbedragen opzettelijk bedoeld zijn. Opdat de lezer zou geloven dat transfers het resultaat zijn van een rekenspelletje dat alle kanten uit kan, inbegrepen vanuit morele standpunten. Alsof zij willen zeggen: stop met leuteren over die transfers. Alles is relatief. Niets is waar. Je kunt ieder bedrag krijgen op bestelling.

Ik geef aan de Vlaamse Regering de raad om voor de betaling van het ereloon een moreel ijkpunt te kiezen waardoor ze recht heeft op een transfer van de auteurs.

Herman Deweerdt