Print

Laurentine Brinkhorst aan de interruptiemicrofoon Bestanddeelnr 931 0298In de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers werd onlangs een wetsvoorstel ingediend om jongeren vanaf 16 stemrecht te verlenen.

Of zo’n voorstel kans maakt, is moeilijk te bepalen. Vaak hangen de kansen van dergelijke voorstellen af van toevallige politieke omstandigheden.

De vraag is wel of een dergelijke stap verstandig is.

Politiek gaat over het wel en wee van de hele samenleving, niet alleen op het ogenblik zelf, maar ook in de toekomst.

In dat opzicht kan men begrijpen waarom met name Groen het voorstel heeft ingediend. De klimaatbetogingen waren prominent een bezigheid van jongeren. Die kwamen met de slogan dat er voor hen geen planeet B is als het met het klimaat misloopt. Vooral jongeren worden opgezweept door het idee dat hun eigen toekomst door klimaatcrises naar de knoppen is. Het is daarom aannemelijk dat zij de eersten zijn die aan de bel trekken.

Klimaat werd door de aanhoudende propaganda tot een “groen thema” verheven. En derhalve is “het klimaat” bij uitstek een actiepunt dat toekomt aan een zichzelf “groen” noemende partij.

De politieke draai is meteen duidelijk: de groene partij blijft op weinig opwekkende opiniecijfers rondhangen. Ze heeft nood aan nieuw en liefst jong bloed. Wat ligt er anders voor de hand dan jongeren op te hitsen om hen een strijd tegen de klimaatverandering te laten te vatten – samen uiteraard met hun “natuurlijke politieke bondgenoot”: Groen?

Dat het ophitsen van jongeren voor een strijd tegen klimaatverandering aan nogal wat kritiek onderhevig is, werd al vaker aangetoond.

Maar de meer ervaren mens voelt toch een zekere mate van ergernis als die merkt hoe onervaren jongeren met theoretische modellen bang worden gemaakt, om vervolgens als bruikbaar politiek kiesvee door gehaaide politici te worden ingelijfd.

Meer in het algemeen rijst de vraag of de jongere van 16 überhaupt over de bekwaamheden beschikt om met rede en verstand over belangrijke dingen te oordelen en vervolgens politici aan te duiden die het beleid waarvoor men staat te realiseren.

Dat is toch het beeld dat ons voorstaat van de geëmancipeerde, bewuste, moderne burger?

Wat politici met hun voorstel doen lijkt alsof men die geëmancipeerde burger net niet wil en liever de stem geeft aan opgroeiende kinderen, die men gemakkelijk kan beïnvloeden.

Vanuit een democratisch standpunt is dit voorstel daarom op zo’n zachtst gezegd nogal bedenkelijk.

Bovendien is het een kaakslag voor al die oudere mensen in de maatschappij, die met de jaren en soms decennia ervaring hebben opgebouwd, waardoor ze een grotere bekwaamheid hebben verworven om op een gezonde manier over de soms hondsmoeilijke problemen te oordelen. Tot de taken van de ouderen in een samenleving behoort het naar de volwassenheid begeleiden van jongeren: ze moeten hun ervaring aan de jeugdigen ter beschikking stellen.

Het is echt geen wonder dat bij zowat alle volkeren die dicht bij de natuur staan of stonden, ouderen een speciale, adviserende rol hadden. Overal werden jongeren verzocht eerst naar het doordachte oordeel van meer ervaren mensen te luisteren, alvorens zich te manifesteren.

Omdat ouderen beter kunnen matigen, is er voor hen dus een belangrijke rol in een maatschappij weggelegd. Die rol wordt nog groter in onze moderne samenlevingen, waarin het soms echt moeilijk is om de rechte weg nog te vinden.

Jongeren van 16 de plicht opleggen om oordelen te vellen over onderwerpen waarover ze nog niet in staat zijn te oordelen, is verwerpelijk. Misschien is het zelfs een vorm van mishandeling.

Het is tegelijk een aanslag op de fundamentele samenhang van een gemeenschap, omdat de oeroude taakverdeling vervangen wordt door een maatschappij waarin de individualisering en daardoor de manipuleerbaarheid tot het extreme worden doorgetrokken.

Mensen hebben elkaar nodig, niet alleen om economische redenen, maar ook omdat ze elkaar in het leven moeten bijstaan op gebieden van meer sociale en psychologische aard. Die problemen zijn misschien wel de moeilijkste.

In een wereld vol onzekerheid – die door de indieners van het wetsvoorstel zélf met hun klimaathysterie nog verhoogd wordt – hebben we mensen nodig die door hun kennis en ervaring die steun kunnen bieden.

Kortweg: 16 jaar is te jong om burgerlijke verantwoordelijkheid te dragen.