BeeldenstormWe beleven momenteel weer eens een beeldenstorm. Ik zeg “weer eens” omdat het verschijnsel met enige periodiciteit terugkeert.

Beeldenstorm is een vreemd fenomeen. Eerst wordt een beeld onthuld, te midden van een in plechtstatige bewondering gedompelde menigte. Er worden toespraken gehouden en er is beleefd applaus. Een aantal jaren later is precies datzelfde beeld omgeven door een razende meute. Er worden slogans gebruld. Het beeld wordt van zijn sokkel getrokken, beklad en beschadigd.

red onze standbeelden

Dat contrast is – op zijn zachtst gezegd – mysterieus. Wat is er dan veranderd? Het beeld niet, en de historische context waarin het werd opgesteld evenmin. Het kan enkel de massa, de menigte, de meute zijn die er nu met andere ogen naar kijkt. “Anders” is geen waardeoordeel; het refereert enkel naar verschil. Het zou inderdaad kunnen dat, zoals de beeldenstormers beweren, wij vroeger dwaalden en zij vandaag tot het juiste inzicht gekomen zijn. Het omgekeerde is evenzeer mogelijk. Wat ik echter voor het meest waarschijnlijk hou, is dat we ons vandaag even erg vergissen als vroeger, zij het op een volledig andere manier. Uiteraard is een dergelijke denkwijze in een tijdsgeest die beneveld is door de aanmatiging de absolute onveranderlijke onaanvechtbare waarheid te bezitten hoogstens een nauwelijks opgemerkt minderheidsstandpunt.

Als we daar iets van willen begrijpen is het misschien nuttig eens te kijken wat beelden in onze cultuur betekenen. Zonder te begrijpen waarom we beelden maken en hebben is het wel moeilijk in te zien waarom we ze beschadigen en vernietigen.

Wat hebben we eigenlijk met beelden?

Een goede twintig jaar geleden – het was nog in de vorige eeuw – las ik een zeer interessant boek: The Symbolic Species (de symbolische soort) van Terrence W. Deacon [1]. Nog altijd sterk aanbevolen. Hij beschrijft hoe in onze lange wordingsgeschiedenis onze hersens en onze taal zich quasi hand in hand ontwikkelden. Daarbij speelden symbolen een dominante rol, zodanig dat het niet verrassend is homo sapiens “de soort van de symbolen” te noemen. Het zou zelfs kunnen dat we dat moeten uitbreiden en over de symbolische genus “homo” spreken, maar voor meer dan “zou kunnen” zijn de indicaties te mager.

138 2Beelden lenen zich uitstekend voor de materiele uitdrukking van symbolen. Het kan ons dan ook nauwelijks verwonderen dat onze archeologische vondsten vrijwel overal ook beelden opleveren.

Zeer bekend is de Venus van Willendorf (Oostenrijk), een 22.000 tot 24.000 jaar oud vrouwenbeeldje uit kalksteen.

Dergelijke beeldjes, met sterk overtekende seksuele kenmerken worden vrij vaak gevonden. We kunnen dan ook vermoeden dat ze een rituele functie hadden.

In Zuid-Duitsland is een dergelijk beeldje, vervaardigd uit ivoor, gevonden dat op 40.000 jaar werd gedateerd. Het werd, samen met mammoetbeeldjes (eveneens in ivoor) ontdekt in de buurt van werktuigen waarvan we weten dat ze door de Neanderthalers gebruikt werden. Het zou dus kunnen dat het maken van beelden geen monopolie van de homo sapiens is. Dat is weliswaar een interessante gedachte, maar bij het gegeven materiaal niet meer dan een flinterdunne hypothese.

Dit ivoren mammoetbeeldje van 33.000 jaar oud heeft de kop en de slurf verloren. Het zal oorspronkelijk heel mooi geweest zijn.

138 3

In China vinden we enkel jongere beeldjes. Dat kan daaraan liggen dat de homo sapiens daar pas 30.000 jaar geleden aangekomen is.

Hier zo een 13.500 jaar oud Chinees exemplaar dat een vogel voorstelt, uitgevoerd in been.

138 4

De mensen die deze beeldjes maakten dachten vast niet dat ze “kunstenaars” waren: ze vervaardigden gebruiksvoorwerpen, zij het ook dat die bij rituelen gebruikt werden.

De grote meerderheid van die afbeeldingen hebben te maken met vruchtbaarheid of met de jacht. Dat waren ook twee hoofdbekommernissen voor die mensen.

Toen werd overgeschakeld van animistische religie naar antropomorfe goden moesten de beelden mee evolueren.

Hier zien we Baal en Astarte, ongeveer 3000 jaar oud uit Syrië.

De aandacht blijft gericht op de vruchtbaarheid - nu uitgebreid tot landbouw – en de oorlog: de verdere ontwikkeling van de jacht.

138 5

De Egyptenaren geloofden dat godenbeelden een deel van de essentie van de betreffende god konden herbergen. Ze begonnen ook beelden van mensen te maken, meer bepaald van hun farao’s. Beelden van mensen, dachten ze, zouden de woonplaats zijn voor een deel van de ziel van die mens. Ze geloofden dat het deel van het beeld waardoor de inwonende geest met de omgeving in interactie kon treden de neus was. Dat had gevolgen die we later nog bespreken.

De joden waren – zo zegt de theorie – de grote uitzondering. Ze mochten van hun God – tot immense verbazing van de Romeinen – geen beelden maken. Zelfs zijn naam mocht maar één keer per jaar – op Jom Kipoer – door de hogepriester uitgesproken worden. En ook die naam geeft niet veel prijs: er wordt nog altijd gediscussieerd over de betekenis van het woord Jahweh. We komen daarbij uit bij iets dat klinkt gelijk “ik ben”.

In de praktijk was het zo simpel niet. Ook in de Schrift vinden we verwijzingen naar het feit dat de joden doorlopend bezweken voor de charmes van de massa Kanaänitische goden waardoor ze omgeven waren. Historici menen dat de tempel bijwijlen vol afgodsbeelden stond. Er waren golven van “zuiveringen” waarbij de beelden (meestal van Baal) vernield en de priesters die ze dienden vermoord werden, die zich afwisselden met periodes van herval.

138 6

Het waren de Grieken die, vooral tijdens de laat-antieke periode (vanaf 300 vC) begonnen meer dan goden, heersers en machtssymbolen af te beelden. Hier de Laöcoongroep, uit die periode. Het beeld vertelt een episode uit de Trojaanse oorlog die niet in de Ilias vermeld is: de familie van de Trojaanse priester Laöcoon wordt uitgemoord door reuzenslangen, gezonden door Poseidon. Hier zijn gewone mensen afgebeeld. Let op het anatomisch detail en de enorme dynamiek. Maar ook hier is de spirituele component nog altijd onverminderd voorhanden. Ik vind dit het mooiste beeld dat ik ken, en we weten niet eens zeker wie het gemaakt heeft. Er wordt verwezen naar drie vrij onbekenden kunstenaars uit Rhodos. Het staat in het – altijd ontzettend drukke – Vaticaans Museum, maar er is een perfecte kopie in alle rust te bezichtigen in het paleis van de Grootmeester van de Johannieters op Rhodos.

De middeleeuwse kerk had een onduidelijke positie tegenover beelden. In de Griekse wereld was er een sterke traditie van de verering van iconen. Om de discussies over iconoclasme (verzet tegen het bidden voor beelden) tot een einde te brengen riep de Byzantijnse keizerin Irene in 787 het tweede concilie van Nicea samen. Er was een consensus voor het aanvaarden van beelden in de kerk. Karel de Grote heeft zich bij dit besluit nooit neergelegd en er heftig tegen geageerd. Hij meende dat een Christen nooit voor een beeld mag bidden. In zijn Dom in Aken zijn er, afgezien van de onvermijdelijke Moeder Gods dan ook vandaag nog altijd geen beelden te bespeuren.

In de Italiaanse renaissance werd teruggegrepen naar de vroeg-antieke Griekse periode. De beelden bleven – in aansluiting bijn de middeleeuwse kunst – eerder statisch, maar de aandacht voor het anatomisch detail werd opnieuw ontdekt. Enkele eeuwen later was, met Bernini, ook de dynamiek helemaal terug.

De beelden evolueerden steeds verder weg van het sacrale en sloten bij het gewone leven aan.

Ook het gewone leven kent zijn abstracte kanten. Edgar Degas bijvoorbeeld slaagde erin “gratie” voelbaar te maken. De beeldjes van Honoré Daumier konden zelfs de domme arrogantie van de elite in haar rauwe vorm uitstralen.

 

Spiritualiteit

138 7

De legende zegt dat Michelangelo, toen hij de Mozes voor het graf van paus Julius II maakte, tot het nog niet afgewerkt beeld zegde: "Perché non parli?"(waarom praat je niet?). Of dat nu echt letterlijk zo gebeurd is laten we in het midden, maar die legenden vatten meestal een situatie beter samen dan een droog zakelijk verslag. Het zou dus kunnen dat Michelangelo, een universeel genie, beeldhouwer, schilder, architect, ingenieur etc. geloofde dat het stuk steen dat hij daar zelf aan het bewerken was een eigen leven, een spirituele dimensie had. Men kan dat vreemd vinden, maar ik denk dat het teruggaat op iets dat heel diep in iedere mens sluimert: de wens in en achter dode materie een geest en een ziel te ontdekken. Of met andere woorden: spiritualiteit.

Ik kan daarover iets vertellen uit eigen ervaring. Ik ben gezegend – of gestraft: hangt ervan af hoe je het ziet – met een tamelijk goed geheugen. Daardoor heb ik nog vrij precieze herinneringen tot een leeftijd iets jonger dan twee jaar. Ik herinner me niet alleen dingen en gebeurtenissen, maar ook wat ik daarbij dacht en voelde. Dat heeft me altijd zeer geholpen in de omgang met kleine kindjes: ik weet hoe ze tikken. Ze voelen dat en vinden het leuk.

Ik moet zo ongeveer twee jaar geweest zijn toen ik zelf een speelgoedje maakte. Ik heb het voor u ongeveer nagebouwd.

138 8

Precies hetzelfde bobijntje kon ik niet meer vinden. Zie de foto hierboven. Een leeg bobijntje van naaimachinegaren, een stukje gevouwen krant en het was af. Klinkt simpel maar is het niet voor een kleutertje: enkel al dat stukje krant zo vouwen dat het door het gaatje past is een hele opgave. Bovendien moesten de papieren eindjes als het rolde op de grond blijven rusten: ook al niet eenvoudig.

Voor mij was dat een wezentje waar ik voor moest zorgen. Ik had er van een schoendoos een hok voor gebouwd. Dat stond onder de sofa. Daar moest het in voor ik ging slapen. Ik gaf het geen naam: op een vreemde manier had ik het gevoel dat dat niet mocht. Ik liet het heel onze – piepkleine – woonkamer zien. We beleefden daar geweldige avonturen. Ik wist helemaal niet zo zeker of dat nu een levend wezen was of niet. "Perché non parli?" heb ik er nooit tegen gezegd, maar enkel omdat ik geen Italiaans kende.

Nu kunnen we denken “ach ja, kinderlijke fantasie; dat groeit er wel uit”. Ik heb me inderdaad tot een nogal rationeel mens ontwikkeld. Psychologen beweerden ooit zelfs “bijna ziekelijk rationeel”. Maar weet ik veel wat daar onder die gladgestreken oppervlakte nog zo allemaal kookt en pruttelt. Op sommige andere gebieden ben ik dat kleine jongetje ook nooit ontgroeid.

Hoe gaan we met de beelden van de overwonnenen om?

In de oudheid was het de gewoonte de godenbeelden van de overwonnen volkeren te vernietigen. Dat was zeker ook bedoeld om de verliezers van het conflict nog eens extra te vernederen en een duidelijk signaal te geven: dit is een kantelpunt, van nu af is alles anders, wij maken hier nu de dienst uit. Ook in de beeldenstorm van de 21ste eeuw zijn die gezichtspunten heel zeker nog prominent aanwezig.

Een hele reeks beeldenstormgolven kunnen we zien in de tempel van Hatsjepsoet in de buurt van het Egyptische Luxor. Hatsjepsoet was een vrouwelijke farao, en een heel competent en succesvol staatshoofd. Maar ze lag slecht bij de priesterklasse. Haar opvolger (en schoonzoon) Thoetmosis III liet haar naam en inscripties uit de gigantische tempel wegbeitelen: niets mocht nog aan Hatsjepsoet herinneren. Totaal mislukt: wij kennen en waarderen Hatsjepsoet desondanks.

Door latere verschuivingen in de religie vielen de goden Amon en Osiris in ongenade en werden ook hun beelden in de tempel beschadigd. Dat gebeurde op een heel speciale manier.

We hebben reeds gezien dat de Egyptenaren dachten dat de geest in het beeld door de neus zijn werking kon ontvouwen. Het volstond dus de neus te vernielen om het beeld te “neutraliseren”. Daarom missen zoveel Egyptische beelden hun neus.

138 9

De Koptische Christenen, die de tempel een tijd als kerk gebruikten, hielden zich met die subtiliteiten niet bezig en verwijderden alle gezichten van de godenbeelden.

De Romeinen, die veel creatiever en innovatiever waren dan sommigen vandaag willen toegeven, hadden een totaal nieuwe aanpak. Ze vernietigden de goden van de overwonnen volkeren niet. Helemaal in tegendeel offerden ze zelf aan die goden. De voorwaarde was enkel dat de “nieuwe burgers” ook aan de Romeinse goden offerden.

Ze gingen nog een stap verder en brachten de goden uit hun verre veroverde gebieden naar Rome. Daar hadden ze een reusachtig tempel, het pantheon, gebouwd om al die verschillende goden te herbergen.

Wij zien de Romeinen vaak als wreed en brutaal. Dat zou eraan kunnen liggen dat hun geschiedenis bijna exclusief door christenen geschreven is. Ik denk dat ze gewoon wijs waren: accomoderend waar het kon en brutaal waar het nodig was. We zouden kunnen wensen dat onze huidige staatleiders daar iets van leren, maar dat is misschien toch te veel gevraagd.

Het absoluut record in de discipline beeldenstorm is nog altijd vast in handen van het jonge christendom. Vooral in Egypte trokken grote groepen monniken rond, vernielden beelden en staken bibliotheken in brand. Ook de beroemde bibliotheek van Alexandrië moest eraan geloven.

Op de Capitolijnse heuvel in Rome staat een prachtig bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, de keizer-filosoof. Het is een kopie, het origineel bevindt zich in het museum. Dat kunstwerk heeft de christelijke beeldenstorm enkel overleefd omdat iemand erin slaagde de fanatici wijs te maken dat het hier om Constantijn, de christelijke keizer, ging. Anders hadden ze het, samen met talloze andere beelden ook tot deurklinken en scharnieren omgesmolten.

Onder Christelijke sekten ging het er niet beschaafder aan toe.

S an Appolinare Nuovo in Ravenna is een prachtige kerk die nog door de Visigoten gebouwd is. De Visigoten waren Arianische christenen en hadden hun eigen heiligen, die in prachtige mozaïeken afgebeeld werden. Toen de kerk door Roomse christenen overgenomen werd moest ze natuurlijk “gezuiverd” worden. De Arianische heiligen werden met zwarte mozaïeksteentjes bedekt. Maar links en rechts komt er nog wel een hand kijken. (zie foto)

138 10

Over de Beeldenstorm in de 16de eeuw kunnen we kort zijn. Ik neem aan dat iedereen daar wel het een en ander over weet. Verder werd dit thema in een van de vorige nieuwsbrieven aangeraakt.

Den nazi’s smolten beelden van Bismarck en keizer Wilhelm I in, met het iets of wat mager excuus dat ze het metaal nodig hadden.

Sommige dingen werden wel gespaard

Zelfs de twintigste-eeuwse communisten, voor velen onder ons toch nog altijd het synoniem van fanatieke geweldenaren, lieten Friedrich der Große voor de Humboldt universiteit in Berlijn staan. De links-liberalen die ze opvolgden en ondertussen hun domste en meest contraproductieve standpunten in een scherpere en ergere vorm verder laten leven, waren daarin veel minder tolerant. De beeldenstorm na de omwenteling van 1989 was in Duitsland veel radicaler: Lenin overleefde nergens (maar wordt vandaag, in Gelsenkirchen bijvoorbeeld, wel terug geïnstalleerd).

Het moeten niet altijd beelden zijn. In Roemenië schoten ze bijna de hoofdvogel af. Nicolae Ceaușescu, en laat ons daar geen twijfel over hebben; dat was een uitermate verachtelijk sujet, begon de bouw van het Donau-Zwarte Zee kanaal. Dat was een van de weinige van zijn initiatieven die voor de Roemeense economie echt zin hadden. De Donaudelta is heel moeilijk bevaarbaar en daardoor, zeker in de winter, geen echt betrouwbare verbinding naar de Zwarte Zee. Bovendien moest men van het industriecentrum Cernavoda naar Constantia, de belangrijkste haven van Roemenië, een omweg van 400 km varen. Dat kanaal ging daaraan verhelpen. Toen Ceaușescu ten val werd gebracht, was het bijna af. Slechts op het nippertje konden de heethoofden ervan weerhouden worden het kanaal gewoon terug dicht te gooien. Hun redenering: het was een idee van Ceaușescu en dus slecht! Waarschijnlijk waren dat dezelfde typetjes die ook in het vorig regime overijverig mee stapten.

De Geschiedenis is wat ze is

We kunnen onze geschiedenis niet corrigeren door beelden te vernielen of met leuzen te besproeien. Desondanks proberen we het, maar dat leidt uiteindelijk enkel tot puberaal vandalisme.

Onze geschiedenis hoort bij ons, net zoals onze individuele levensloop: we kunnen ze niet amputeren. We kunnen ze wel vervalsen, en dat hebben we altijd heel vlijtig gedaan. Anders hadden we gewoon geen standbeelden van Leopold II. Ik heb Congo niet eens nodig om te zien dat die hoogstens een pak slaag verdiende en zeker geen standbeeld. Hoe radicaler het regime, hoe krasser de manipulaties. Proberen wij ons hier eens zo objectief mogelijk op te stellen.

Slavernij was ooit de norm

In het verleden waren zowel slavernij als het voor superieur houden van het eigen ras normaal. Dat wil zeggen: de algemeen aanvaarde norm. In de 17de en 18de eeuw was iedereen racistisch en/of slavenhouder, en niet enkel in Europa en Noord Amerika. We sommen het even op. De Akan, een volk dat ook in die tijd al in de omgeving van het huidige Ghana woonde, en vooral dan de stam van de Ashanti, waren gespecialiseerd in het “vangen” van slaven die ze dan naar de havens brachten en aan de Portugezen en Hollanders verkochten voor verder transport. Dat was hun “core business”; dat deden ze voor de kost. Het is dus minstens lichtelijk ironisch te noemen dat de Nederlandse rapper Akwasi, naast een trotse zelfbewuste Ashanti ook de meest vocale tegenstander van ‘Zwarte Piet’ is. De Moslims – slavernij wordt in de Koran expliciet toegelaten – waren honderden jaren lang zeer actief in de slavenhandel, en het waren niet enkel de Arabieren – die ook goede klanten bij de Ashanti waren – maar ook de Noord-Afrikaanse berbers. Vooral Europese, dus blanke slaven waren daar zeer gegeerd. Er werden er meer dan een miljoen verhandeld. In Europa verdienden niet enkel de Britse banken aan de Afrikaanse slavenhandel, maar er bestond daar ook nog een zeer wijdverbreid lijfeigenschap. Misschien kan eens iemand me uitleggen in welke mate dat principieel van slavernij verschilde.

Het waren wel de Europeanen, en enkel de Europeanen, die de slavernij afschaften. De Ashanti deden vrolijk verder met hun bedrijf en werden uiteindelijk slechts door hun krimpende afzetmogelijkheden gestopt. Mocht iemand denken dat de Moslims intussen de slavernij ook afgeschaft hebben, dan wil ik toch nog eens aan de slavenmarkten van de IS herinneren.

Het is dus evident dat in onze geschiedenis niets of niemand te vinden is waar niet ergens een beetje racisme of slavernij aan kleeft. En dat beperkt zich geenszins tot het blanke ras, maar de anarchistische jochies rechercheren wel vlijtig exclusief in die richting. Churchill en Columbus hebben ze al “ontmaskerd”. Het is maar een kwestie van tijd voor ook Darwin, Pascal en Newton eraan moeten geloven.

Beeldenstorm en erger

En dus trekken onze moderne anarchisten erop uit om de bestaande wereld te verwoesten, zodat op de puinhopen iets nieuws kan ontstaan. Het is heel moeilijk verschil te zien tussen die razende horde en de Taliban of IS. Sommigen zullen zeggen dat hun motieven edel zijn. Zozo, en dachten jullie dan soms dat niet ook IS en de Taliban meenden vanuit edele motieven te handelen? De realiteit is dat we hier precies hetzelfde pseudoreligieus fanatisme aan het werk zien, maar deze keer in een Westers kleedje.

Momenteel zijn ze bij Kant aangekomen en ook de verlichting wordt als racistisch gebrandmerkt. Dat laatste is een interessant nieuw en zeer alarmerend element. Maar zelfs nu begrijpt de brave burger nog altijd niet dat hier iets aan de gang is dat zich tot in de absurde details zonder meer met de Chinese culturele revolutie onder Mao laat vergelijken.

De burgerlijke krachten wilden vooral beschaafd, beleefd, breeddenkend, tolerant en bij de tijd zijn. Die doelen hebben ze met uitmuntendheid bereikt. We hebben het ‘Kick Out Zwarte Piet’ uitvaagsel niet met hogedrukwater van de straat gespoten maar ze een respectvolle – zelfs indien eenzijdig – dialoog aangeboden. Onze burgerij heeft een groot deel van de ideologie van de revolutionairen verinnerlijkt en is zelfs in sterke mate ook hun taal gaan gebruiken. Het wordt nu langzaam tijd om naadloos over te gaan van “we moeten de jeugd ook een beetje krediet geven” via “zo ver is het nog niet” naar “er is toch niets meer aan te doen”. Begrijpen doen ze het nog altijd niet. We zijn er dus al volop over aan het nadenken hoe we de anarchisten tegemoet kunnen komen: beelden verplaatsen of er een “verklarend” bord bijzetten. Het zal echter nooit genoeg zijn en bovendien zal de razende horde na iedere toegeving als op bevel het volgend “pijnpunt” aanpakken. Vandaag, zeventig jaar na Stalin zijn de Marxisten niet veranderd. Ze interpreteren compromis bereidheid nog altijd als teken van zwakte en een uitnodiging om verder te gaan.

Onze burgerij heeft het nog altijd niet door, maar het enige dat hier nog helpt is geweld met geweld beantwoorden. Dat willen we niet, want we verfoeien geweld; het is onbeschaafd en leidt tot niets… hebben we ons laten wijsmaken. De anarchisten zien dat volledig anders en ze hebben succes. Ook de geschiedenis toont duidelijk aan dat geweld wel degelijk werkt, ook al is het nooit mooi en niet edel. Wat zou kunnen helpen is met beslistheid zeggen: “als het jullie hier niet bevalt, ga dan ergens anders heen”. Maar dat gaat veel verder dan ons gevoelig zieltje toelaat. En dus zullen we het niet doen.

Bedenk echter het volgende: wij hebben nergens anders om heen te gaan als wij binnen afzienbare tijd zelf met die vordering geconfronteerd zullen worden…

Uw Dwarsligger

[1] The Symbolic Species: The Co-evolution of Language and the Brain

Terrence W. Deacon

W. W. Norton & Company

ISBN-10: 0393317544