batterij opti pessimMensen noemen mij soms een pessimist. Ik zie dat eigenlijk zelf niet zo direct. Niet dat het me stoort; mensen kunnen denken en zeggen wat ze willen. We mogen van mening verschillen: dat geeft het leven kleur. Maar misschien is het toch interessant daar eens een beetje preciezer naar te kijken.

Menselijke taal is notoir onnauwkeurig. Dat is geen reclamatie, gewoon een vaststelling. Zonder die onscherpte zou het ‘flou artistique’ niet bestaan. Noch poëzie, noch groot aangrijpend proza waren dan nog mogelijk en epische verhalen zouden tot heel gewone verslagen verkruimelen. Zelfs als dat in mijn macht lag zou ik daaraan dus niets veranderen. Ik houd ieder artificieel geknoei met de taal sowieso voor absoluut destructief. Maar…

De ‘Inverse Stelling van Johan Cruyf’ zegt: “Ieder foordeel hep se nadeel”. Ze slaat ook hier toe. Natuurlijke taal is inderdaad, met al haar voordelen, niet het geschiktste middel voor de expressie van logica. De begrippen en concepten zijn niet invariant, niet stabiel. Ze kunnen veranderen naargelang de context, er zich soms invoegen en verdwijnen gelijk een kameleon, of er uit steken gelijk een zere duim. Ze zijn beladen met en gekleurd door emoties. De kunstenaar vindt dat allemaal prachtig. De logicus trekt er zijn haar van uit maar moet er desondanks mee leven.

Een eminent voorbeeld daarvan vinden we in het begrippenpaar ‘optimisme’ en ‘pessimisme’. Op het eerste zicht zou men kunnen denken dat het hier enkel maar om een kwestie van kalibratie gaat, Bekijken we dat even in een simpele grafiek.

pessimisme optimisme

Op de as representeren we de wenselijkheid van de situatie. De rode lijn toont de beste schatting die we op een bepaald moment hebben voor de realiteit. Als we nu, in ons persoonlijk aanvoelen, de situatie minder gunstig inschatten noemen we dat pessimisme. Het omgekeerde is dan optimisme.

Onzekerheid

Maar waarom definiëren we die ‘onzekere zones’? Waarom geven we ze namen? De reden is dat we – meestal – ontzettend weinig van de realiteit kunnen observeren, er nog veel minder van begrijpen en dat dan nog fragmentarisch, oppervlakkig en hoogst onzeker. Dat maakt dat onze ‘schatting’ niet erg nauwkeurig is en er een heel brede en dus tamelijk vlakke waarschijnlijkheidsverdeling rond hangt. Iemand kan dus ‘zijn’ rode lijn best sterk naar links of rechts verschuiven zonder daarom gek te zijn. Daardoor zijn die zones dus niet enkel heel reëel, maar ook bij bijna iedere vraagstelling prominent aanwezig.

Daaruit kunnen we al iets interessants afleiden. De ruimte voor pessimisme en optimisme is variabel, en afhankelijk van de fenomenen waar het om gaat. Soms gaat het om samenhangen die zo eenvoudig zijn dat we ze bijna totaal kunnen zien en begrijpen. Dan kan het gebeuren dat het antwoord op onze vraag een afstand tussen twee punten is, of een tijdsinterval. Dat soort dingen kunnen we vaak met een verbluffende precisie vaststellen (meten). Daar blijft dan links en rechts van de rode lijn helemaal geen ruimte meer voor onzekerheid. Dan kan er noch van optimisme noch van pessimisme sprake zijn: die begrippen verliezen daar gewoon hun zin.

Ongelukkigerwijze zijn de meeste situaties die wij evalueren, en dan vooral diegene die sterke invloed op ons welbevinden hebben, niet eenvoudig. Daar is onze inschatting van de realiteit door grote onzekerheden gehypothekeerd. Daardoor ontstaat hier heel veel ruimte voor zowel optimisme als pessimisme.

Nu is die onzekerheid niet enkel een functie van het onderzochte object maar eveneens van het observerend subject. Wij mensen zien en begrijpen niet enkel slechts een minuscuul stukje van de werkelijkheid; die stukjes zijn ook nog allemaal verschillend. Zo kan het dan gebeuren dat een gegeven probleemstelling voor iemand eenvoudig en eenduidig is, en geen onzekerheden meer toelaat, terwijl iemand anders desondanks grote ruimte voor optimisme of pessimisme ziet.

Evolutionaire zin

Zowel optimisme als pessimisme spelen een rol in evolutie en natuurlijke selectie.

Het is duidelijk dat pessimisme de gevaren van overmoed en roekeloze avonturen kan tegengaan en daardoor onnodige risico’s beperken. Dat begunstigt het overleven van de soort. Het kan van de andere kant ook tot lethargie en defaitisme leiden, wat er toe voert dat kansen onbenut blijven. Optimisme daarentegen is vooral een voordeel in die gevallen waar de realiteit objectief zeer ongunstig is. Optimisme zal er dan toe aanzetten ‘tegen beter weten in’ toch nog pogingen te ondernemen om mogelijkheden tot constructief handelen te vinden en te proberen, terwijl pessimisme er eerder toe leidt op te geven en niets meer te doen. Het eerste voert weliswaar nog altijd tot de waarschijnlijke ondergang, maar het tweede tot een zekere fatale afloop. Dat, ogenschijnlijk kleine, verschil is evolutionair betekenisvol, en het zou aan de oorsprong kunnen liggen van onze onevenwichtig positieve perceptie van het fenomeen optimisme waar we nog op terugkomen. Als, in de biologie, een situatie zo hopeloos wordt dat zelfs optimisme niet meer kan werken, gaat endorfine die taak over nemen. We kunnen dat zo interpreteren dat minstens bepaalde vormen van optimisme in onze ‘hardware’ ingebouwd zijn. Optimisme kan echter ook gevaarlijk zijn. Het kan tot zelf overschatting met alle gevolgen van dien leiden.

Symmetrie

Tot hier toe schijnt er tussen de fenomenen optimisme en pessimisme een zeker evenwicht, een soort symmetrie te bestaan. Dat komt omdat we een belangrijke parameter buiten beschouwing gelaten hebben: de menselijke psyché, een verschijnsel waarvan uw dienaar niet al te veel begrijpt. Zodra die in het spel komt is er geen sprake meer van symmetrie. Optimisme heeft een duidelijk positieve connotatie, pessimisme een uitgesproken negatieve, tot en met het niveau van een scheldwoord. Dat kan te maken hebben met de rol van beide verschijnselen in de natuurlijke selectie, die we hierboven zeer grof en oppervlakkig geschilderd hebben. Maar het gaat nog veel verder. We weten heel zeker dat psychosomatische effecten bestaan. Een lapidair maar overtuigend voorbeeld is het zogenaamde ‘placebo effect’. Daardoor kan het optimisme zelf een factor in het proces worden, bij voorbeeld bij het verloop van een ziekte. Zo is ook collectief optimisme een geweldige, zij het ook grotendeels onbegrepen, sociale krachtbron.

Hoe gaan we daar mee om?

De pessimist zal zich meestal zelf voor een realist houden. Realisten worden, door anderen dan weer vaak pessimisten genoemd. Als we de toekomst plannen zijn we onveranderlijk optimistisch, en soms met nogal rampzalige gevolgen. Onze overheid overschat de inkomsten van nieuwe belastingen altijd. Grote openbare werken kosten bijna altijd een veelvoud van de raming. En in de industrie is het niet veel anders. Daar is wel duidelijk meer budget discipline. En de kosten van investeringsprojecten worden niet straffeloos dramatisch overschreden. Maar de verkoopafdelingen zijn berucht voor hun prognoses, vooral dan als het om een planningshorizon van meerdere jaren gaat. Daar zien we vanaf jaar twee gegarandeerd de fameuze ‘hockey stick’. Dat wordt uiteraard volkomen anders als men ‘management by objectives’ heeft en die prognoses als maatstaf voor de bonus gaat gebruiken; dan verbreidt zich plots een ravenzwart pessimisme. Maar normaal brengen de verkopers bijna nooit binnen wat ze beloofd hebben. Dat kan men natuurlijk niet zonder meer tolereren, want het maakt een farce van de financiële planning en dat is gevaarlijk. Er zijn van alle remedies: o.a. ‘zero based budgeting’ waarbij men zich niet aan vorig jaar oriënteert maar van nul af vertrekt. Het werkt allemaal… een beetje. Ik werd nogal eens met dit fenomeen geconfronteerd en dacht dat ik een betere methode had. We kenden tenslotte de budgetten van de vorige jaren. En we wisten ook wat ervan gekomen was, wat ze werkelijk verkocht hadden. De uitleg die achteraf voor de discrepanties gegeven werd, toonde soms pareltjes van inventiviteit, maar dat is hier het onderwerp niet. Ik werkte met een simpele factor: verkocht gedeeld door beloofd. Die factoren, over een aantal jaren gezien, gaven interessante inzichten prijs. In sommige gevallen was er een min of meer normale verdeling rond 1. Daar waren de onvoorspelbare stromingen en winden van de economische oceaan aan het werk. Daar was dan niet veel aan te doen buiten de onzekerheid accepteren en voor de nodige reserves zorgen. Maar vaak was die factor over de jaren merkwaardig constant en lag nogal eens in de buurt van 0,75. Hier hadden we dan een zogenaamde ‘systematische fout’, en daar kunnen we wél iets aan doen. Ik probeerde niet de kwaliteit van het planningsproces te verbeteren, maar zegde: plan gewoon naar beste weten en geweten, zoals jullie het altijd doen. Daarna passen we jullie kalibratiefactor toe. Klinkt toch redelijk, niet? Maar groot gehuil bij sommige verkoopdirecteurs: “Je ondergraaft het moreel van mijn troepen! Mijn mensen moeten optimistisch aan het nieuwe jaar beginnen. Ze moeten enthousiast, met onbegrensd zelfvertrouwen, ‘upbeat’ aan de slag gaan: the sky is the limit. Anders kan je van ons ook geen topprestatie verwachten. Wat denk je dat het met ze doet als ze merken dat je hun prognoses gewoon niet ernstig neemt?”. Ze wilden dus al beginnen met een doel waarvan ze wisten dat het onrealistisch was. Ze noemden dat ‘optimisme’. En iedereen moest dat optimisme delen. Ze vonden dat nodig voor de motivatie! Ja, en wat nu? Eigenlijk is dat geen manier om met volwassen mensen om te gaan: ik vind het gewoon vernederend. Moest ik mijn mening doorzetten? Maar wat als het nu eens werkt gelijk ze zeggen? Leiderschap is tenslotte geen fysica…

Ik denk dat heel veel van onze politieke en economische leiders vandaag op de manier van die verkoopdirecteurs denken en handelen. Hun volgelingen slikken dat gewillig, hoewel ze het minstens half bewust zien. Ergens is dat verstaanbaar: het leven in een optimistische atmosfeer is gewoon aangenamer. Te veel realiteit bederft de pret. In ‘Brave New World’ hadden ze voor het welbehagen dan ook een elegante oplossing: ‘soma’! Daar kwam het realiteitsverlies in de handige vorm van pilletjes.

In de moderne maatschappij werkt het anders, vooral sneller

Waarschijnlijk is dat allemaal nooit echt anders geweest. Ik kan me goed voorstellen hoe ook in het paleolithicum de strijd om territorium tussen groepen jagers-verzamelaars al meer door enthousiasme en imago dan door getalsterkte beslecht werd. Maar gedurende de laatste halve eeuw is er iets fundamenteels veranderd: de maatschappij, het meta-wezen of de zwerm, hoe we het ook willen noemen, heeft zich enorm ontwikkeld en is een eigen leven beginnen leiden. Van een traag, log, enorm machtig maar sloom onhandig wezen heeft ze zich omgevormd tot een behendig organisme. Het roept herinneringen aan een oud reclame spotje van de – ondertussen ter ziele gegane – consulting firma Arthur Andersen op, waarin een school kleine visjes plots de vorm en gestalte van een haai aanneemt.

school haai imitatie

Ik moet hier even mijn aangeboren minachting voor reclame opzij zetten om de expressiekracht van dat beeld te bewonderen.

Het grote verschil zit hem in aspecten van het fenomeen communicatie. Het communicatienetwerk tussen de verschillende entiteiten (personen) die onze ‘zwerm’ vormen is veel intensiever, uitgebreider en dichter geworden, en dat terwijl de zwerm tegelijkertijd groeide. Maar vooral de communicatiesnelheid is enorm gestegen. Vroeger kon het maanden duren voor nieuws uit het verre Oosten Europa bereikte. Nu gebeurt dat in dezelfde seconde. Die communicatie, die vandaag tot in het laatste hoekje van de aardbol reikt is nu zelfs grootteordes sneller dan de transmissies in ons eigen zenuwstelsel. Een bericht uit India is even snel hier als een impuls in mijn teen door mijn hersenen geregistreerd wordt. Eigenlijk waren dat kwantitatieve veranderingen, maar als die voldoende groot worden krijgen ze een kwalitatief karakter: zo gebeurd in dit geval! De gevolgen zijn spectaculair. De ‘truc met de haai’ kunnen we misschien nog niet helemaal doen, maar we hebben wel al een soort collectief levensgevoel ontwikkeld en dat schreeuwt om optimisme. Het moet wel: we willen iedereen bij de zwerm houden. De individuele visjes echter voelen zich in hun meer contemplatieve momenten helemaal niet groot en machtig, maar eerder klein en bedreigd. De zwerm zelf wordt meer en meer hun levensomgeving en het is een vreemde, beangstigende wereld. Ze ondervinden een knagend onbehagen. Ze zwemmen braaf mee maar zien eigenlijk niet goed waar de reis naar toe gaat. Ze zijn eerder pessimistisch ingesteld. Ergens hebben ze het gevoel dat het helemaal niet goed gaat en ze worden onrustig. Misschien beschrijft dit beeld enigermate dat wat we momenteel – met variërende verbazing – in de wereld zien gebeuren. Dat kan de zwerm natuurlijk niet gebruiken, en hij reageert daar dan ook tegen. Onze haai wordt, zoals ook echte haaien, begeleid door loodsvisjes. Alleen noemen we ze tegenwoordig journalisten. Vroeger dachten de zeelui dat die loodsvisjes de haai de weg toonden (vandaar hun naam), maar dat bleek zeemansgaren. Ergens komt me dat ook in onze situatie bekend voor. Dan werd gedacht dat de loodsvisjes zich nuttig maakten door het verteren van parasieten op de huid van de haai. Dat blijkt ook gedeeltelijk te kloppen, maar ze leven toch vooral van de uitwerpselen van hun gastheer. Iedere vergelijking mankt natuurlijk, maar de ene al minder dan de andere.

Journalisten kunnen één ding overweldigend goed: nieuwe uitdrukkingen en woorden bedenken waar een verpletterende emotionele connotatie aan hangt. Een van hun nieuwste creaties is: verzuring en verzuurd. Die uitdrukkingen wordt gebruikt om iedereen die het waagt het laaiend optimisme van de ‘Brave New World’ niet klakkeloos bij te treden of daarover een eigen mening te durven vormen naar de diepste sociale hel te diffameren.

Iedere vogel zingt zoals hij gebekt is

Iedereen die niet enkel tot hier gelezen maar vooral mee gedacht heeft zal zien dat het probleem van de omgang met de begrippen optimisme en pessimisme alles behalve triviaal is. Ik meen dat ieder individu hier zelf zijn persoonlijk evenwicht moet bepalen, ook afhankelijk van zijn/haar temperament. We kunnen rustig allemaal mis zijn: de statistiek brengt de zaak wel in orde.

Ik zelf probeer me van zowel optimisme als pessimisme ver te houden. Ik tracht een zo nauwkeurig mogelijk beeld van de situatie te construeren, door precieze waarneming, en – waar dat mogelijk is – het gebruik van wetenschappelijke methodes. Ik let er ook penibel op iedere persoonlijke betrokkenheid, iedere terugkoppeling op mijn eigen nietig persoontje uit te bannen. Ik blijf daarbij altijd duidelijk beseffen hoe onvolkomen mijn beeld ondanks alle zorgvuldigheid toch zal zijn. Dan evalueer ik dat beeld. Als dan iemand die evaluatie optimistisch of pessimistisch vindt, interesseert me dat niet bijzonder. Moest hij in of voor mijn feiten en redeneringen fouten of alternatieven vinden dan is dat een heel andere zaak: dat vind ik dan wel enorm belangrijk. Niemand kan aantonen of deze benadering nu de juiste is of net fout. Maar wellicht is dat zelfs niet zo belangrijk. De hoofdzaak is dat ieder van ons de vrijheid heeft, en ook consequent neemt, om zijn eigen benadering van de realiteit zelf vorm te geven, zonder zich ooit door iets of iemand te laten voorschrijven wat hij mag weten of moet denken; zwerm of niet! Het is altijd weer, en al eeuwen lang, dezelfde uitdaging: “Aude Sapere”.

Uw dwarsligger

batterij opti pessim

Bewaren