De cirkel is rondCeterum censeo…

Sommigen denken dat ik een obsessie met postmodernisme heb. Ik wil dat ontkennen. Indien ik iets met postmodernisme heb dat zich in de terminologie van de zielknijpers laat vertalen dan denk ik dat “fobie” een meer gepaste uitdrukking zou zijn.

Het is waar dat ik bijna iedere absurditeit, iedere misstand waar we bij het Dwarsliggen over struikelen aan het postmodernisme link. Dat zou op een obsessie kunnen wijzen. Maar wat als dat nu eens inderdaad zo was, als inderdaad het postmodernisme aan de basis ligt van bijna alle schadelijke en mogelijk fatale ontwrichtingen die we in onze huidige maatschappij zien? Ik probeer dat te verklaren. Daarvoor moeten we een beetje teruggaan in de tijd.

De mensheid is in nogal gelukkige omstandigheden aan de 20ste eeuw begonnen. Ik kan de jochies al horen schreeuwen: kolonialisme! Jawel, maar momentje, al in 1914 zat er in de assemblée in Parijs een zwarte député uit Senegal: Blaise Diagne. Mensen uit het door de Britten geregeerde Indië konden naar de universiteit gaan. Over Belgisch Congo gaan we niet praten, maar wij zijn op ieder gebied een onbelangrijke uitzondering… Er was dus wel degelijk beweging in de goede richting en dat had in orde kunnen komen. Als… een ook toen al incompetente elite die onzalige Eerste Wereldoorlog niet had laten uitbreken…

Niet dat tot dan toe alles peis en vree geweest was. De verlichting was voor het conservatief deel van de maatschappij zeker moeilijk te accepteren geweest. De vervanging van het geloof door de rede als bron van kennis was een schokkende omwenteling. Maar ze was toen na enkele eeuwen, verteerd. We hadden zelfs een vrij stabiele wapenstilstand tussen religie en wetenschap, die daarop neerkwam dat de een zich beter niet met de andere bemoeit.

De evolutieleer van Charles Darwin was ook een flinke schok. Hij onttroonde de mens, die zich tot dan toe het unieke toppunt van de schepping had gewaand en reduceerde hem tot dat wat hij is: een doodgewoon onderdeel van een complex proces met volkomen onbekend toekomstig verloop. Maar ook dat konden we, hoewel we het vandaag nog altijd niet allemaal echt begrepen hebben, tamelijk goed verwerken.

Charles Darwin

Het positivisme was het eerste teken dat er iets ernstig misging. Het geloof dat de mens via de wetenschap ooit in staat zou zijn alles te weten en te begrijpen is rijkelijk pretentieus. Maar rond het begin van de 20ste eeuw was de verlichting met haar empirie en logica nog een voldoende sterk referentiekader om de grootheidswaanzin een beetje in te perken. Hoewel vandaag, op een eenzame zonderling (b.v. Dirk Verhofstadt) na, niemand meer op positivisme wedt; de mateloze pretentie is wel in de postmoderne tijdsgeest bewaard gebleven.

Waarom konden die toch wel heel ingrijpende vernieuwingen zo relatief gemakkelijk geassimileerd worden? Het antwoord is eenvoudig: het proces ging traag. En het ging zo traag omdat er weerstand was die tot een echt – en soms wel degelijk verbitterd – debat voerde.

WO I

Dan kwam het cataclysme van de Eerste Wereldoorlog. Eigenlijk kan heel dat drama samengevat worden in één woord: verwildering, op ieder gebied. Die hield niet op met Versailles, maar zette zich voort in de beeldende kunsten, de muziek, het maatschappelijk gedrag, de politiek… De waarden verschoven. De ratio zakte in koers ten voordele van de originaliteit. In de kunst ging de focus van schoonheid naar ‘effect’. Genieten nam de plaats in van de vroegere verantwoordelijkheid.

De eerste grote socialistische utopie, de Sovjet-Unie, werd door velen als lichtend voorbeeld geaccepteerd en omhelsd nog voor ze enig positief resultaat getoond had. Halfbegrepen marxisme werd ‘trendy’ in de zogenaamd intellectuele milieus. Dat is tot op heden zo gebleven.

Ook de psychoanalyse had een sterke invloed, nog het meest doordat ze niet echt begrepen werd. Het zal zeker waar zijn dat seksualiteit een zeer belangrijke factor is in onze levenservaring en gedragsbepaling. Procreatie is het instrument van de evolutie en alles wat daarmee verband houdt, moet dus eminent belangrijk zijn. Maar volledige dominantie? Daar geloof ik niet aan, en ik denk eerlijk gezegd dat de onverbeterlijke provocateur Sigmund Freud zelf dat ook niet echt deed.

Sigmund Freud

De wilde twintiger jaren waren een volledig logische verdere stap in deze evolutie. Het gevolg was dat de ruggengraat van de maatschappij verzwakte. Toen Adolf uitgerekend het “volk van dichters en denkers” op sleeptouw nam, vonden noch de dichters en denkers, noch hun Europese buren daarop een passend antwoord.

Hier begon de mening veld te winnen op kosten van de realiteit. Ik bedoel niet enkel dat de heren Daladier en Chamberlain meenden een overeenkomst met Hitler te hebben. Ik vind een nog meer eclatant voorbeeld voor de triomf van opinie over werkelijkheid in de veldtocht van 1940. De Franse generale staf was, ongetwijfeld na lang en grondig denken, tot de opinie gekomen dat de Ardennen voor gemechaniseerde troepen niet te passeren waren. De empirie van de verlichting gebood eigenlijk om desondanks een verificatie door te voeren. Maar de opinie stond zo vast dat ze het niet nodig vonden ook maar één extra verkenningsvlucht te maken nadat een piloot verdachte activiteit had gerapporteerd. Blijkbaar zag niemand een reden om het dogma in vraag te stellen: een “klimaatcrisis avant la lettre”. Ze hadden echter verzuimd de Duitsers van die onmogelijkheid te overtuigen, en die wisten dus van niets. “Rijden maar”, zei Rommel …

De Tweede Wereldoorlog, het volkomen logisch gevolg van de eerste, voegde nog een flinke schep verwildering toe. Dat manifesteerde zich vooral in Oost-Europa en Rusland.

Ook de filosofie kon uiteraard niet ontsnappen aan de overal om zich grijpende vernieling en verruwing. Het existentialisme, dat eigenlijk al begon in de tijd van Nietzsche, kreeg door de waanzin van de oorlogen nog eens extra voeding en werd een dominante stroming. Het existentialisme is een complex en moeilijk fenomeen. Ik zie het niet in zijn totaliteit als absurd en schadelijk: in delen van Kierkegaard en Heidegger kan ik waardevolle gedachten vinden. Het hielp echter wel een permanent versmachtend gevoel van “tristesse” gelijk een dikke mist over het Westen te hangen.

Maar dan Sartre, het boegbeeld van het existentialisme… Die vertoonde heel veel van de tendensen die door de postmoderne filosofen later geformaliseerd en door de activisten na ‘68 toegepast zouden worden.

JP Sartre

Om te beginnen wordt bij Sartre de mens totaal over het paard getild, ik zou bijna zeggen gegooid! En dat op een belachelijk naïeve manier. Sartre zegde: “Er is geen ander universum dan dat van de mens...”. Hoe kon hij dat nu verdorie weten? Maar beweren deed hij het wel! Waarom? Omdat hij het zo aanvoelde… Bovendien is, zelfs in het ons bekend universum, de mens een onbelangrijk randfenomeen, maar dat ontging de heer Sartre gewoon. Het lijkt gemakkelijk met een filosofie af te rekenen die in haar basis al eclatante onwaarheden vertelt, maar dat werd een echt probleem nadat de postmoderne filosofen een systeem aanreikten waarin het evident onware desondanks, door de sociale dimensie, toch waar kon worden.

Zijn halfweg autobiografisch werk noemde Sartre “La Nausée” (de walg). Nog een bewering: "L'enfer, c'est les Autres" (de anderen zijn de hel). Wat ik hier zie is een totaal geruïneerde, kapotte persoonlijkheid, negatief – zelfs vijandig – tegenover alles en iedereen. Een mens die zijn bestaan van geschenk Gods tot weerzinwekkende kwelling gedegradeerd heeft. Die zijn er altijd geweest. Molière heeft er zo een – zij het in veel mildere vorm – beschreven in “Le Misentrope”. Dat zoiets voorkomt hoeft in principe geen probleem te zijn. Maar als de volledige maatschappij in een dergelijke attitude verzinkt wordt het dat wél. Dat is het wat gebeurde.

Jacques Derrida

Zijn jongere tijdgenoot, Jacques Derrida, wil ik geen postmoderne filosoof noemen, maar een deconstructivist. Ik wil hem ten goede houden dat hij reageerde tegen de uitwassen van de rationaliteit die – in de nasleep van het positivisme – dreigden het menselijke te verstikken. Maar hij overdreef geweldig! Hij kwam tot de conclusie dat alle waarden waarvan mensen zoals ik menen dat ze de maatschappij bijeenhouden, geconstrueerd en dus vals waren. Hij ging ze dan ook een voor een deconstrueren tot er bijna niets meer over bleef. Alleen de “tekst”, dus het draaiboek, het “discours” was voor hem nog reëel. Hij schrijft als een verwarde geest en ik neem aan dat hij dat ook was. Hij gebruikt een afschuwelijk gekunstelde taal. In zijn oorspronkelijk werk zijn er hopen zinnen waarvan ook bij zorgvuldige analyse totaal onduidelijk blijft wat hij nu eigenlijk wil zeggen. Bij de vertalingen is daarvan het een en ander weg geretoucheerd, maar dat maakt de auteur voor mij niet minder “verdacht”. In hetzelfde Frankrijk leefde ooit René Descartes, een van de pijlers van de verlichting. Die had het over “des idées claires et distinctes“…

Met Michel Foucault, die het begrip “discours” lanceerde, wil ik me niet bezighouden. Ik wijs niemand af omwille van homoseksualiteit, maar “sadomasochisme” is voor mij in iedere vorm ziekelijk. Ik kan het oordeel van zo iemand over ethische kwesties gewoon niet ernstig nemen. Indien iemand daar aanstoot aan wil nemen dan zij het zo.

JF Lyotard

Jean-François Lyotard, die iets later werkte, ging het verst in de absurditeit. Voor hem is er geen objectieve waarheid en ook geen objectieve werkelijkheid. Die dingen zijn sociaal gedefinieerd. Wij allemaal samen ‘maken’ door ons debat dat wat is. Ons “discours” kan recht maken wat krom is en ook omgekeerd. Zo konden we dan zelfs op het idee komen niet alleen een nieuwe maatschappij maar ook ‘een nieuwe mens’ te gaan maken.

Lyotards invloedrijkste werk was ‘La condition postmoderne: rapport sur le savoir’ uit 1979. Hij schreef het in opdracht van de ‘Conseil des universités du Québec’. Die hadden een studie besteld over de invloed van de technologie op de ontwikkeling van de exacte wetenschappen. Lyotard gaf achteraf grif toe dat hij van technologie absoluut niets verstond, en van exacte wetenschappen nog veel minder. Hij nam de opdracht desondanks aan en compenseerde zijn ontbrekend weten door, zoals hij later zelf bekende, verhaaltjes te verzinnen en overvloedig te citeren uit werken die hij niet gelezen had. In Montreal hadden ze niets door: we zijn in Québec en daar houden we het gezellig. Lyotard schaamde zich daar achteraf wel een beetje voor, en noemde het boek ‘een parodie’. Maar te laat! De intellectuele elite van de late twintigste eeuw had het al omhelsd als het licht, de waarheid en het leven, en dat doen ze nog altijd. Ik vermeld deze details, die u als “faits divers” kunnen voorkomen om te tonen dat het zowel de postmoderne filosofen als hun volgelingen, naast een aantal andere dingen, ook totaal aan de nodige ernst ontbrak.

Dat stapelde zich allemaal bovenop Sartre en Co.

Dan kwam de Vietnam oorlog.

Plummer small

Daarover is veel te zeggen, maar ik wil me beperken tot de analyse van één ‘US Marine’: een zekere Plummer.

Hij liet ze in zijn Zippo graveren en ze zegt alles.

Hier was de composthoop van de Westerse beschaving. Alles wat ons tot dan toe dierbaar geweest was: schoonheid, poëzie, medemenselijkheid, het leven zelf, lag stinkend te rotten in de jungle. In die realiteit geworden nachtmerrie kon gewoon alles gebeuren, ook My Lai. Geen wonder dat hier een verlammend cynisch nihilisme om zich heen greep.

Aan die situatie werden in het totaal ongeveer 2,6 miljoen Amerikaanse soldaten blootgesteld.

Ik kan heel goed begrijpen hoe daar het gebruik van drugs gemeengoed werd en de sociale barrières daartegen verdwenen. Dat behoorde tot de wanhopige pogingen om aan een troosteloze realiteit te ontvluchten. Het is ook duidelijk dat hier het vertrouwen in de overheid zieltogend zijn laatste adem uitblies.

Maar de protesten tegen de Vietnamoorlog waren ook al door de voorafgaande culturele veranderingen besmet en daardoor fundamenteel oneerlijk. Activisten die soldaten gelijk Plummer bespuwden, vergaten voor het gemak even dat ze zelf de politici die Plummer naar Vietnam stuurden (Kennedy en Johnson) met hun stem aan de macht hadden geholpen. Dat waren “Democraten” waarbij we uitdrukkelijk naar de naam van de partij verwijzen en niet naar de staatkundige inclinatie.

Uit dat protest ontstond dan de “Revolutie van 1968”. We noemen ze soms “wereldwijd” maar ze beperkte zich uiteraard tot de Westerse cultuurkring. Dat is het echter wat wij nog altijd “wereldwijd” noemen, hoezeer we ons ook als kosmopoliet willen voordoen.

Het meest verbazende aan die gebeurtenissen is wellicht dat er zo weinig effectieve weerstand van de burgerij kwam. De revolutionairen konden er praktisch doorheen wandelen. Ze slaagden er zelfs in Charles De Gaulle – toch beslist geen watje – uit zijn ambt te verdringen. De reden was duidelijk: nog voor de slag begon had het establishment al gecapituleerd, meer nog, het was gedeeltelijk naar de vijand overgelopen. Door dat bijna volledig gebrek aan weerstand kon de omwenteling zeer snel gaan: er was geen echte meningsstrijd. Dat is altijd gevaarlijk.

Wat de beweging van 68, die tot vandaag doorwerkt, deed was het amalgaam van toch erg verschillende tendensen van de laatste halve eeuw, hierboven uitgetekend, bundelen tot een nieuw levensgevoel. Ze slaagden er verbluffend gemakkelijk in dat zeer heterogeen en soms jammerlijk inconsistent pakket van nieuwe normen en waarden als het “nieuwe normaal” aan bijna de volledige maatschappij verkocht te krijgen.

Situationist

Dat gebeurde in een periode van voordien ongekende vooruitgang en welstand. Daardoor waren niet enkel de menings- en beleidsmakers maar alle gezagdragers in de maatschappij sowieso eerder geneigd rechts en – vooral – links iets door de vingers te zien; ze konden het zich nu eenmaal veroorloven. Ze werden dus toleranter en minder veeleisend tegenover de jeugd en de randgevallen van de maatschappij. Daardoor werd de overwinning van de revolutionairen zo eclatant. Kijk eens na hoeveel van hun taalgebruik en definities wij ondertussen klakkeloos overgenomen hebben? Enkel al het veelvuldig gebruik van het woord “sociaal” als adjectief valt op. Op 15-3-2020 lees ik op Doorbraak – het artikel doet er nu niet toe: “ …en de blanke (tegenwoordig is het ‘witte’) man/vrouw een…”. Wie bepaalt dat eigenlijk, of het “wit” of “blank” moet zijn? Maar tegenwoordig is dat zo, en dan wordt niet meer verder nagedacht. Zo werkt dat! Dat is allemaal geen toeval: de geniale communist Antonio Gramsci had het al in de jaren twintig heel precies doorgedacht.

We vinden voor de mindset die daaruit ontstond een eenvoudig voorbeeld in de postmoderne architectuur. Kijk eens aandachtig naar die gebouwen. Iedere lijn schijnt te mogen, behalve een rechte, een cirkel of een ellips. Iedere hoek kan, zolang het maar geen rechte hoek is. Ze mijden alles wat precies gedefinieerd en verifieerbaar is en vluchten voor het vanzelfsprekende. Ze bepalen zelf, collectief uiteraard, wat recht is en wat krom. Ze verafschuwen confrontatie met de wetmatigheden van de realiteit en willen niet empirisch gecontroleerd worden.

Het is die mindset, dat amalgaam en niet zozeer de filosofie of kunst, die ik postmodern noem en ik denk dat het een ware plaag is dat die gedachten heel onze cultuur doordrongen en praktisch in beslag namen.

Bekijken we even de krachtlijnen van dat nieuwe “normaal”.

De bron van onze kennis verschuift weg van observatie en rede naar gevoel en emotie die bij voorkeur collectief beleefd worden en dan muteren tot “geloof”. We hebben daarmee een volledige cirkel beschreven en zijn terug waar we vóór de verlichting waren. Het verbaast me mateloos dat nauwelijks iemand dat lijkt te merken.

De cirkel is rond

De mens en zijn mogelijkheden worden hallucinant overschat, zowel ten goede als ten kwade. Er ontwikkelde zich zelfs een echte opstandigheid tegen de grenzen die ons door de natuurwetten binnen het universum opgelegd zijn. Het past hier wellicht niet in dit kader te expliciteren waarom, maar de voortplanting in de handen van twee verschillende expressies van dezelfde genus leggen was een geniale zet van de evolutie. Wij accepteren die oplossing niet meer en we beweren – tegen alle biologie in – dat de verschillen sociale constructen zijn die we moeten elimineren. Onze universiteiten barsten van de “genderstudies”, de ene al dwazer dan de andere. Dat is heel gevaarlijk. De evolutie bedient zich van ongelijkheid en “survival of the fittest” als selectiecriteria. Dat botst uiteraard met het postmoderne gelijkheidsdogma, dat bewezen fout is, maar fris en vrolijk verder in alle levensomstandigheden gehanteerd wordt. Opstand tegen de evolutie is op voorhand verloren. Maar dat zullen we nog moeten leren, met schade en schande.

We ondermijnen de “natuurlijke loop der dingen”, wat een oude uitdrukking is die eigenlijk de activiteit van de evolutie in werking beschrijft. Wij willen zelf bepalen wie mag/moet leven en wie mag/moet sterven, soms – neen meestal – duidelijk tegen de bedoeling van de natuur in. Nu is dat niet allemaal even erg. Dingen die men doet met een oude knaap zoals ik, die gegarandeerd geen verdere nakomelingen meer zal verwekken, blijven verregaand zonder consequenties in de toekomst. Maar alles wat men doet met mensen, zelfs al zijn ze nog ongeboren, die nog kinderen zullen of kunnen hebben, werpt zijn lange schaduw vooruit in de toekomst en kan/zal daar effecten hebben die we nog niet eens beginnen te begrijpen. Hier is dus bedachtzame voorzichtigheid aanbevolen, maar we zien het tegendeel: wild actionisme. Gedachteloos, in een impuls, ongeïnformeerd maar heel zelfverzekerd dingen doen waarvan men de gevolgen niet kan overzien; het is iets dat we eigenlijk eerder van adolescenten verwachten. Daarom noem ik de postmoderne activisten dan ook “jochies”.

De empirie, een van de pijlers van de verlichting, wordt ondergeschikt gemaakt aan collectieve meningen. Daardoor wordt de wetenschap fataal ondermijnd. We kennen tegenwoordig – vooral in het klimaatdebat – het “bewijs door consensus”. Karl Popper, die de beperkingen van de empirie wel degelijk zag, draait zich om in zijn graf!

De autoriteit werd door de 68’ers oorspronkelijk in al haar vormen bestreden, maar is nu in een meer totalitaire vorm dan vroeger overgenomen door de activisten en hun achterban van als wetenschappers vermomde marxisten die “de wetenschappers” genoemd worden. Afwijkende meningen worden niet getolereerd en naar krachten onderdrukt. We zijn terug in de manicheïstische wereld van de middeleeuwen: het absoluut goede (wij) staat onverzoenlijk tegenover het absoluut kwade (zij). Nieuwe media zoals facebook en twitter maken heksenjachten mogelijk die, inzake omvang en uitbreidingssnelheid, de excessen van de 17de eeuw ver achter zich laten. Voorlopig zijn de brandstapels waarop men de ketters verbrandt nog virtueel, maar ik zie geen enkele garantie dat het zo blijft. Een tussenstap maakt alvast prof. Van Ypersele als hij voorstelt de critici van zijn door consensus “bewezen” theorieën voor het gerecht te slepen en op te sluiten.

heksenjacht

Mede door die intolerantie is een absurde conformiteitsdwang ontstaan. Het is ronduit griezelig jonge mensen in hun nieuwe lingua franca “go with the flow” (lig vooral niet dwars) als succesrecept te horen aanbevelen.

Wij definiëren de sociale verhoudingen in de vorm van “rechten”: mensenrechten, vrouwenrechten, minderhedenrechten, migrantenrechten… zonder dat daarbij het woord “plichten” valt. Niemand schijnt te begrijpen dat die dingen enkel kunnen leven bij de gratie van een delicaat evenwicht.

De zelfhaat en het schuldgevoel van de westerse mens zijn hallucinant. Sommige jongeren verwijten ons dat wij een kapotte wereld voor ze de achtergelaten hebben. Ik zou hier heel resoluut op willen antwoorden:

De wereld die wij gebouwd hebben is zeker niet volmaakt: ik heb ook veel kritiek. Maar ze kent minder honger, ziekte, nood en analfabetisme dan ooit tevoren. Ze heeft jullie toegelaten op te groeien in een klimaat van zorgeloze, teugelloze welstand en libertinisme: alles kon, niets moest. Nu is het aan jullie. Kritiek oefenen zal nog wel gaan. Maar ik twijfel er erg aan of jullie in staat zijn die complexe wereld van ons zelfs maar in bedrijf te houden. Jullie hebben daarvoor noch de nodige opleiding, noch het noodzakelijk karakter. Dat laatste is inderdaad onze schuld.” Maar wij zeggen dat niet; we buigen het hoofd en zwijgen.

Dat alles heeft tamelijk bizarre en wijdreikende gevolgen. Denkt u soms ook dat de wereld rondom u totaal gek geworden is? Wel, wees gerust; het ligt niet aan u want het is zo. De psychiater prof. Dirk de Wachter heeft al tien jaar geleden heel onze huidige maatschappij met “borderline syndroom” gediagnosticeerd. Hij deed dat met grote zorgvuldigheid en volgens alle regels van de kunst aan de hand van de criteria van de DSM (Diagnostics and Statistics Manual for Mental Disease, het handboek van de psychiater.)

Hoewel het niet meer dan één van de ontelbare voorbeelden is, wil ik hier ons staatsbestel ter illustratie aanhalen. Onze politiek wordt gemaakt door activisten die de media – ook de publieke, door ons betaalde – heel handig als propaganda-apparaat inzetten. Toen Lenin zegde: “de kapitalisten zullen ons nog het touw verkopen waarmee we ze opknopen” overschatte hij onze intelligentie. We geven ze het “touw” namelijk gewoon cadeau! Onze beleidsmakers zijn gereduceerd tot halfhartige uitvoerders van de compleet ondoordachte en gedeeltelijk ruïneuze maatregelen die door het sentiment van de dag gedicteerd worden. Onze rechtsstaat is gekaapt door activistische rechters die door andere activisten gemaakte internationale afspraken hier bij ons doorzetten.

We zien dat alles gebeuren op meerdere niveaus: hoe hoger hoe erger. De EU is een ware staatkundige ramp. Het klinkt misschien grotesk, maar we zouden God op onze blote knieën moeten danken dat we Hongarije en Polen nog hebben om over een beetje realiteitszin en redelijkheid te waken. Maar dat zien de meesten van ons niet, en indien wel durven we het niet zeggen. Zo ver is het dus al gekomen met die geroemde vrijheid van meningsuiting.

Ik weet niet hoe u dit circus wilt noemen, maar ik hoop toch echt dat u geen “democratie” voorstelt. Als we het beetje dat we daarvan ooit hadden, terug willen zullen we ervoor moeten vechten.

Maar de Vlaming vecht niet. Hij zucht, betaalt, haalt de schouders op zegt: “eigenlijk gaat het ons toch nog niet zo slecht!” Feitelijk doen wij daarmee – weliswaar in een heel andere vorm – precies dat wat de jeugd ons verwijt: we verkopen de toekomst voor een beetje comfort.

Hierop heb ik geen antwoord meer, tenzij misschien: het was toch een mooie tijd, die paar eeuwen verlichting.

Misschien moeten we maar teruggrijpen naar de – lichtjes aangepaste – 2200 jaar oude uitspraak die aan Marcus Porcius Cato wordt toegeschreven:

Overigens ben ik van mening dat het postmodernisme vernietigd moet worden.

Indien die vergelijking met de antieke een beetje hinkt, dan enkel omdat het postmodernisme een grotere bedreiging voor onze beschaving vormt dan Carthago dat ooit was voor de Romeinse.

Uw Dwarsligger