Franse revolutieZopas verscheen van de hand van Bart van Kerckhove (VUB) een korte laudatio aan het adres van de vroeg overleden Koen Raes. Die had namelijk in 1983 een kritisch essay geschreven over het neoliberaal bezitsindividualisme. (Uitgeverij Masereelfonds).

 

In deze laudatio haalt van Kerckhove uit naar (wat hij noemt) “privatisering, belastingverlaging, streven naar een slanke overheid en veiligheid”, om zijn opsomming te eindigen met de wel veelzeggende zin “…hetgeen soms akelig dicht in de buurt van de antipolitiek komt”. Voorts voegt hij eraan toe: “Dit alles is actueler dan ooit. De kern van de charge is gericht tegen elk collectief ethisch-politiek denken tout court”.

Oef - daar ligt het. Een hele reeks zwaarwegende woorden, voortfladderend op een wind die voornamelijk uit één enkele richting komt: die van het postmodernisme - wat velen tegenwoordig links noemen.

Twee patronen

Als Raes met zijn essay gelijk had, en dat het “collectief ethisch - politiek denken” – het linkse vocabularium is altijd meer dan één mondvol – inderdaad zwaar in de verdrukking zou zitten, dan wil dat maar één ding zeggen: dat gewichtige collectief ethisch-politiek denken slaat niet aan bij de modale burger. Het sluit niet aan bij het levensaanvoelen van de miljoenen die elke dag uit werken gaan of die, na een leven van hard labeur en trouwe plichtsvervulling, hopen op de rust van een welverdiend pensioen.

Die fameuze antipolitiek – waarvan ik graag eens eindelijk een definitie zou lezen – lijkt sterk op het afwijzen van collectivistische, ethisch-politieke dromerij en veeleer de keuze voor een samenleving waarin realisme en respect voor prestaties en persoonlijke waarden helemaal geen vieze woorden zijn.

Uiteraard hangt alles af van de inhoud van die onmogelijke uitdrukking collectief ethisch-politiek denken.

Er dringen zich twee duidelijk onderscheiden patronen op.

Het eerste patroon is dat van het geloof en het vertrouwen in de zelfredzame, ondernemende, individuele persoon. Dit patroon berust op het geloof in de positieve mogelijkheden van de modale mens en op het vertrouwen in zijn goede krachten.

Het tweede patroon wordt gedreven door wantrouwen in de kwade kanten van de menselijke soort, zoekt naar controlemechanismen om het kwade in bedwang te houden en staat huiverig tegenover elk onderscheid tussen menselijke personen. Verschillen scheppen ongelijkheid en veroorzaken egoïsme en onderlinge spanningen.

Italië wijst het collectivistisch-ethisch-politiek denken af

Zowat de hele zichzelf links noemende wereld stond zich de nagels af te bijten in de opstap naar de recente verkiezingen in Italië. Zoals bekend hadden de partijgangers van het tweede hierboven genoemde patroon de Italianen een politiek van volstrekte gelijkheid opgedrongen. Die gelijkheid uitte zich vooral in een politiek van totaal vrije immigratie en straffeloosheid voor de illegale immigratie onder de slogan “het is beter bruggen te bouwen en niet aan angst toe te geven.”

De Italiaanse premier Renzi wees hiermee de modale Italiaan zwaar terecht. Die is immers geïnteresseerd in zijn welvaart en de toekomstkansen voor zijn eigen kinderen. Hij ziet die bedreigd door een massieve immigratie van honderdduizenden Afrikanen, terwijl zowat één op acht Italianen in armoede leeft. Diezelfde modale Italiaan is van oordeel dat de allereerste plicht van een Italiaanse regering eruit bestaat zorg te dragen voor de bevolking van Italië, zoals de eerste plicht van de Afrikaanse regeringen eruit bestaat de noodzaak van massale emigratie weg te nemen - wetend dat zulke emigratie ook een enorm verlies aan potentieel betekent. Zodoende maakt dus de modale Italiaan een onderscheid dat volgens de verdedigers van het politiek correcte denken niet geoorloofd is.

Voor zover ik dat kan zien, wordt de positie van de modale Italiaan gedeeld door de modale bewoner van het Europese continent.

De overweldigende overwinning van dit politieke patroon leidde in de pers in een eerste fase tot titels zoals “populisme en extreemrechts krijgen Italië in hun greep”.

Anders gezegd: wat telt is niet wat de meerderheid wenst, maar het feit dat de afwijzing van het collectief ethisch-politiek denken onder de vorm van een scherpe zogeheten antipolitiek het overwicht dreigt te halen.

De Gutmensch verheft het vermanende vingertje

Je zou geneigd kunnen zijn mensen die realistisch in het leven staan gelijk te geven als ze vinden dat je eerst moet werken en vervolgens het recht moet krijgen om van je eigen werk te genieten en dat zulke houding after all voor iedereen op deze planeet het best moet uitpakken, maar zo hebben de moraalridders van de postmoderne linkerzijde het niet begrepen.

Ziedaar dan ook het ware probleem van de Gutmensch. Die is ervan doordrongen dat de mens vol slechtheid zit en dat het leven alleen beschreven kan worden als een strijd tussen goed en kwaad. Vanzelfsprekend behoort de Gutmensch tot het kamp van het goede; de tegenstander is per definitie de slechterik – een tussenpositie is moeilijk aanvaardbaar, omdat de Gutmensch zolang ten strijde trekt, tot al het kwaad dat hij in de wereld meent waar te nemen met wortel en tak is uitgeroeid. En dus rust op de Gutmensch de zware plicht de slechtheid des mensen op alle denkbare manieren weg te branden. En als al het kwaad zou zijn uitgerukt, dan vindt de illustere geest altijd wel nieuwe vormen van slechtheid.

De realistische mens spot hiermee want hij weet dat die niemand alleen maar goed is of slecht.

De vraag luidt nu: waar komt die Gutmensch vandaan?

Historici zullen volhouden dat hij altijd heeft bestaan en ze zullen wel gelijk hebben. Niettemin zijn de Gutmenschen in onze dagen wel heel talrijk – of ze zijn buitengewoon gedreven en laten nimmer af.

De opstand der burgers

Ik waag me hier aan een uitdagende hypothese. In 1989 publiceerde Wim Couwenberg een bundel onder de titel Opstand der burgers. (Uitgeverij Kok). Daarin legt hij uit hoe de Franse Revolutie ook kan worden gezien als een anti-autoritaire tendentie, die steun vindt in de opkomende derde burgerstand – de leraren, schrijvers, klerken – als een nieuwe maatschappelijke machtsfactor. Die zoekt haar eigen, burgerlijke conceptie van staat en samenleving vorm te geven, daarbij afstand nemend van de oude machtsfactoren van Kerk en adel. Je kunt de Franse Revolutie en de emancipatie die ermee gepaard ging bijgevolg opvatten als de massale eis dat de toenmalige realistische, werkende klasse het recht moest krijgen om mede haar eigen stempel op de samenleving te drukken.

Jammer genoeg is het niet zo simpel.

Het grote probleem is dat de genoemde emancipatie zich beperkte tot een kleine groep lieden, veelal welgesteld en mondig genoeg om met luid geroep haar plaats op te eisen. Wat “de emancipatie” wordt genoemd, is dus slechts een voorrecht van een beperkte maatschappelijke groep die, alles wel beschouwd, vanuit proletarisch gezichtspunt net zo goed tot de heersende klassen kon gerekend worden als Kerk en adel. De werkenden hadden gewoon geen tijd om te hoop te lopen??? op te komen tegen het onrecht van adel en Kerk! Ze hadden te kiezen tussen werken of creperen.

Zo bleef 90% van de bevolking – het handwerkvolk, de boeren, de matrozen op de schepen - verstoken van de realisatie van de beloften van de emancipatie. Die bleef een zaak van de burgerij en ging aan het grootste deel van de bevolking voorbij.

Karl Marx problematiseerde deze situatie en draaide de machtsverhoudingen om: die 90% van de bevolking hoorde de macht toe. Meteen kwam de geëmancipeerde burgerij terecht in de tegenpositie en moest ze zich tegen de opkomende sociaaleconomische emancipatie te weer stellen.

Het viel de meeste leden van de burgerlijke klasse niet moeilijk om de ijveraars voor de socialistische emancipatie voor te stellen als het nieuwe kwaad en het grote gevaar dat nodig met alle middelen moest worden bezworen. Priester Daens is in dat opzicht in onze contreien een voorbeeld.

Een nieuwe maatschappelijke klasse

De sociaaleconomische misstanden van de negentiende eeuw waren zo stuitend, dat men – achteraf bekeken – de eerste sociale activisten moeilijk kan verwijten dat ze alleen maar oog hadden voor de economische emancipatie. Pas veel later begon men in die kringen in te zien dat ontwikkeling en scholing grondvoorwaarden zijn voor mensen die het in het leven wat verder willen schoppen. Maar ook deze preoccupatie bleef materialistisch geïnspireerd, ook gekend als het ‘biefstuksocialisme’.

De sociaaleconomische emancipatie heeft zonder twijfel successen geboekt. Doch de eenzijdige oriëntatie op economische en sociale vooruitgang ontnam tegelijk het zicht op een geheel nieuwe, wereldwijde beweging die de planeet steeds meer in haar greep kreeg. Deze beweging heet de globalisatie en ze gaat gepaard met massieve migratiestromen.

Doch die massieve migratiestromen bedreigen de pas verworven welvaart van de proletarische maatschappelijke klasse. Diezelfde proletarische klasse is bovendien niet langer haveloos ongeschoold, doch bestaat zelf mede uit duizenden vaak zeer hooggeschoolde lieden. Ze is dus onvergelijkbaar met de proletarische klasse van Marx.

De oude burgerlijke klasse – of de groep van lieden die zich daartoe rekenen – blijven enigszins geminoriseerd achter, politiek voorbijgelopen door die mensen, waartegen ze zich in de 19 eeuw afzetten en waarvan ze de opkomst niet zonder enige achterdocht aanschouwden.

De weldenkenden

En hier verschijnt dan de weldenkende Gutmensch.

Die ziet immers zijn moreel superieure positie bedreigd door de opkomst van een hele grote groep die hem niet volgt in zijn waardeoordelen, doch die haar eigen voordeel najaagt. Blind voor het simpele feit dat de “opstandige burgerij” destijds hetzelfde deed – haar eigen voordeel doordrukken ten nadele van adel en Kerk – associeert de hedendaagse burgerij haar eigen positie met de hogervermelde collectief ethisch-politieke houding. Die is immers gekenmerkt door grootmenselijkheid, openheid voor de wereld, geloof in de gelijkheid van alle mensen en met grenzeloze verdraagzaamheid. Deze burgerij huivert voor een plebejische revolutie die de kosmopolitische burgerlijke idealen van de moderne weldenkende Gutmensch van tafel veegt en over wil gaan tot de orde van de dag: hoe de eigen welvaart en toekomst veilig te stellen? Die plebejische revolutie beseft best dat welvaart slechts bereikt kan worden door werk en arbeid en door mensen, die aan hun werk wat over kunnen houden. Hiermee voltrekt zich een verburgerlijking van Marx’ proletariaat, dat helemaal niet voor de proletarische dictatuur kiest, doch waar voor haar geld wil. Dit overigens tot grote ergernis van de hedendaagse socialistische politieke formaties die geen weg weten te kiezen om met dit nieuwe feit om te gaan. De positie van de oude burgerlijke opstandelingen tijdens de Franse Revolutie wordt nu dus ingenomen door wat door wat misprijzend “de populistische antipolitiek” wordt genoemd.

De vroegere oude burgerlijke groep, intussen tot een (meestal zelfverklaarde) bovenlaag geëvolueerd, blijft verweesd achter en wordt geconfronteerd met een opkomende macht die haar eigen posities in gevaar brengt, zoals dat eerder al gebeurde in de sociaaleconomische ontvoogding. De zichzelf tot elite verheffende oude burgerlijke bovenlaag ziet met afgrijzen hoe haar eigen maatschappelijke idealen de schop op gaan en vervangen worden door wat ze zelf – nogal hypocriet – populistisch egoïsme noemt. Hiermee hijst zij zichzelf evenwel onwrikbaar vast in de gevangenis van een zelfgekozen moreel carcan, dat haar tot Gutmensch maakt, bedreigd door het steeds groter wordende gevaar van de irrelevantie.

Niets aan de mens is eeuwig, ook ideologische visies niet, en dat is goed.

Uw dwarsligger