Francis FukuyamaFrancis Fukuyama is een schoolvoorbeeld van de moderne Amerikaanse intellectueel. De socioloog, politicoloog en filosoof kreeg zijn opleiding in niet minder dan drie van de prestigieuze “Ivy League” instituten: Cornell, Yale en Harvard. Zijn Japanse wortels doen in de hedendaagse USA weinig ter zake. Het feit dat zijn vader als predikant van de – Calvinistische – “Congressional Church” opgeleid was en godsdienstles gaf is daar wellicht belangrijker.

 

Dertig jaar geleden, in 1989 schreef hij zijn essay “The end of history and the last man”. Drie jaar later volgde het gelijknamig boek.1

Vooral het boek kende een stormachtig succes. Ik begreep dat niet: ik vond het nogal naïef oppervlakkig en zag de jubel met meer zorg dan verwondering. Ik stond met mijn kritiek nog nét niet helemaal alleen: ook Jacques Derida, de grijze eminentie van de postmoderne filosofie had grote bezwaren, zij het dan heel andere dan ik. Het leven maakt rare sprongen: soms hebben we ineens bondgenoten die veel erger zijn dan de tegenstander!

400px The End of History and the Last Man 

Fukuyama kwam tot nogal sterke inzichten. De liberale democratieën hadden eerst twintig jaar op leven en dood gestreden tegen de dictaturen en daarna nog eens veertig jaar tegen het wereldcommunisme. Ze waren daar als onbetwistbare overwinnaar uitgekomen. Fukuyama trok daaruit de conclusie dat nu definitief bewezen was dat de liberale democratie de meest wenselijke en ook sterkste vorm van organisatie voor de menselijke maatschappij is. Hij voorspelde dat die regeringsvorm zich nu ongehinderd en onuitgedaagd over de hele aarde zou verspreiden en handhaven. De strijd was gestreden en het pleit beslecht.

Fukuyama argumenteert dat de geschiedenis niets anders is dan het verhaal over de strijd tussen de verschillende organisatievormen voor de maatschappij. Hij kwam daardoor tot de conclusie dat nu de geschiedenis zou ophouden: “the end of history” was bereikt. Dat Arnold Toynbee het daar nooit eens mee had kunnen zijn en zou gezegd hebben dat de cultuur belangrijker is dan de organisatievorm, laten we hier nog even in het midden.

Maar Fukuyama ging nog verder. De evolutie kan als “struggle for life” worden verstaan, als de strijd om de suprematie van de eigen genen in de toekomst. Daar echter de discussie over de maatschappijvorm en de verhouding tussen de individuen binnen de maatschappij definitief en eenduidig met de triomf van de liberale democratie beslist was, kon ook de evolutie ophouden: “the last man” verscheen op het toneel.

De intellectuele en politieke elites van het Westen omarmden het gedachtegoed van Fukuyama gewillig: hij verwoordde immers elegant dat wat zij – in het diepst van hun gedachten – werkelijk wilden geloven, en dat deden ze dan ook zeer overtuigd. Dat had, zoals we zullen zien, gevolgen.

Vanuit ons huidig zicht kan dat allemaal vrij absurd lijken, maar in 1989 was het dat niet. Er was in de Westerse wereld – grosso modo Europa en Noord-Amerika – niet alleen een enorme opluchting maar ook een ver verspreid bedwelmend gevoel van triomf over de “overwinning van de democratie” op het “kwade” – zoals Ronald Reagan het had uitgedrukt. Dat leidde heel snel tot euforische zelfoverschatting.

Nu, dertig jaar later, zien wij – inclusief Francis Fukuyama zelf – de situatie wel een beetje meer gedifferentieerd. De absolute heerschappij van de USA, die Fukuyama wel onderhuids zag aankomen, werd niet gerealiseerd. Er is een multipolaire wereld ontstaan die veel onberekenbaarder is dan de vroegere bipolaire en mogelijk nog gevaarlijker. De nucleaire proliferatie is sluipend verder gegaan en produceert alsmaar meer atoommachten. Puur statistisch gaat het aandeel aan “liberale democratieën” eerder achteruit. En zelfs in haar kernlanden, de Verenigde Staten en Europa, komt de democratie – zoals ik ze versta: regering voor het volk door het volk – steeds erger onder druk door nieuwe ideologieën met een– zij het ook zorgvuldig verborgen gehouden – sterk totalitaire bedillerige belerende onderstroom: multilateralisme, ecologisme – vooral dan rond de vermeende “klimaatcrisis” – feminisme, antikolonialisme, multiculturalisme… te veel om op te noemen. Bovendien verzwakken de pijlers van elk democratisch systeem, onafhankelijke kritische kwaliteitsmedia en een debatcultuur, zienderogen. Het mag misschien een beetje eigenaardig lijken dat we heel veel tijd nodig gehad hebben om te begrijpen dat het feest niet doorgaat. Als we dan echter bedenken dat we ook twintig jaar lang, tegen alle duidelijke en alarmerende tekenen in, het kwaliteitsverlies van het Vlaams onderwijs hebben afgestreden, is dat misschien ook weer niet zo verwonderlijk.

We zouden het vooral ook interessant kunnen vinden dat de westerse mens, die toch dacht ‘verlicht’ te zijn, zich met miljoenen tegelijk zoals lemmingen in een zo gemakkelijk herkenbaar waanidee gestort heeft. Daar gaan we nog op in, maar er was erger…

Er ontwikkelde zich een pseudoreligieuze cultus rond de liberale democratie die vooral de elites van het Westen in zijn ban hield en iedere vorm van kritisch denken luid overschreeuwde. We waren er dermate van overtuigd dat onze liberale democratie de oplossing voor alle kwalen was, dat we ons verplicht voelden de “blijde boodschap” over heel de wereld uit te dragen. Er ontstond een missionarische ijver die sinds de hoogdagen van de katholieke kerk niet meer gezien was. We waren bereid volkeren en culturen waarvan we het levensgevoel niet eens beginnen te begrijpen resoluut een “regime change” voor te schrijven. Desnoods ondersteunden we die “aanbeveling” ook nog met een royale portie militair geweld. Afghanistan, Irak, Libië, Syrië… We trokken een spoor van dood, vernieling en ontwrichting door de wereld, waarbij vergeleken de zware schade aangericht door de zonden van het kolonialisme gewoon verbleekt. Ik ben er iedere dag meer over verbaasd dat schijnbaar niemand ziet dat we het hier met een loepzuivere religieuze beweging te doen hebben. Zelfs als de heersende clans zich ongegeneerd van typisch religieuze repressiemethodes – met nauwelijks veranderd vocabularium – bedienen zoals beschuldigingen van ketterij en excommunicatie, merkt blijkbaar niemand de verbluffende gelijkenis met fanatieke religieuze bewegingen.

Dat roept vragen op:

Hoe kon de democratie, bemand met personeel dat blijkbaar tot de grootste dwaasheden in staat is, de concurrentie zo overtuigend verslaan?

Het antwoord is eenvoudig: de concurrentie was – op dat moment – nóg zwakker. Momentje, hoe kan ik nu een regime gelijk Nazi-Duitsland of de Sovjet-Unie zwak noemen? Wel, ik denk dat een systeem enkel sterk kan zijn als het zich naadloos weet te associëren met de mechanismen die aan de basis van het leven zelf liggen. Het eerste is uiteraard de evolutie. Een systeem dat ‘wringt’ met de evolutie zal door de voortdurende ‘wrijving’ zoveel kracht verbruiken dat het in de concurrentiestrijd tussen de systemen het onderspit zal delven.

Hier heeft de democratie, zoals ze ooit gedacht en vaak bezongen maar nooit geleefd werd, een eclatant voordeel. De democratische besluitvorming gebeurt precies volgens de methode van de evolutie. Uit oneindig veel ideeën wordt in een concurrentieproces het ‘beste’ (“the fittest”: het meest passende) geselecteerd. Deze methode is weliswaar niet perfect, maar ze biedt een duidelijk betere trefkans dan de denkbare alternatieven. Daarbij is het belangrijk het concurrentieproces zo te kanaliseren dat het niet te veel energie verbruikt die dan bij de strijd met concurrerende systemen zou ontbreken. De democratieën van het midden van de twintigste eeuw waren ver van perfect. Maar ze hadden voldoende van het democratisch oerprincipe bewaard om zich tegen de dictaturen met hun veel te rigide – en dus verkwistende – besluitvorming door te zetten.

Maar het ontging Fukuyama en zijn tijdgenoten blijkbaar totaal dat die democratieën veranderden. Gelijktijdig met de eclatante stijging van de levensstandaard zagen we een duidelijke verzwakking van het systeem en zijn mechanismen. In zoverre is het zelfs zeer de vraag of de – zogenoemde – democratieën in hun huidige toestand vandaag nog de confrontatie met die vroegere dictaturen zouden aankunnen.

Hoe kon niet enkel Fukuyama, maar ook bijna de hele Westerse wereld met hem, dergelijke foute inschatting maken?

Hoe konden ze geloven dat de evolutie simpelweg zou ophouden? Hoe konden ze, als waren ze doof en blind, de verzwakking, zelfs degeneratie van de systemen rond hen gewoon niet waarnemen? De verklaring is eenvoudig: ze waren aangetast door een fatale psychische aandoening (sommigen zullen het een filosofie noemen): postmodernisme!

Het is niet verwonderlijk dat filosofen een zo sterke invloed op het verloop van de geschiedenis kunnen hebben. Een filosofie bepaalt onze houding ten opzichte van de wereld, en daarmee ook de manier waarop wij met de realiteit rondom ons zullen omgaan. Het postmodernisme is bijzonder gevaarlijk. Het biedt niet enkel een uitnodigend platform voor foute diagnoses en therapieën, maar het belet ook dat we het tijdig merken wanneer de dingen beginnen te ontsporen.

Vroeger dachten we dat er een objectieve realiteit bestond. Die realiteit was tegelijkertijd ook “waarheid”. We beseften natuurlijk dat we daar maar een heel klein deeltje echt van konden kennen. We hadden – na het positivisme – ook niet meer de illusie dat we ooit alles zouden kunnen zien en begrijpen. Maar we bleven onderzoeken en ontdekten stukje bij beetje meer.

De postmodernisten zeggen – zeer verkort – dat er geen objectieve werkelijkheid is. Werkelijkheid en waarheid zijn sociaal bepaald. Wij mensen maken door ons onderhandeld discours samen de werkelijkheid. Bij ieder feit behoren heel veel waarheden. Bij het verwerven van kennis speelt niet langer het bestudeerde object maar het bestuderend subject de hoofdrol. Dat lijkt allemaal rijkelijk theoretisch, maar het heeft wel vergaande praktische gevolgen. Nemen we als voorbeeld onderwijs.

Wat moesten wij vroeger – vanuit een moderne achtergrond – leren? Het was belangrijk precies te observeren en strikt logisch te redeneren. Het was belangrijk het instrumentarium dat de mensheid daarvoor had opgebouwd niet enkel te kennen maar ook te beheersen: het te kunnen gebruiken. Daar hoorde ook “drill” bij en het interesseerde niemand of we dat leuk vonden of niet.

Vanuit een postmoderne achtergrond zijn vandaag andere dingen belangrijker. Communicatie staat nu in het middelpunt. Wij maken de werkelijkheid door ons debat. We vinden de waarheid niet meer door metingen en observaties maar door discussie en consensus. Het is daarbij van groot belang dat iedereen daar een “goed gevoel” bij heeft.

Ons onderwijs heeft de “uitdaging” aangenomen en in het christelijk stelsel onder de enthousiaste leiding van mevrouw Van Hecke en de heer Monard de noodzakelijke “vaardigheden” gepropageerd. Het resultaat is er: onze onderwijsresultaten zijn gedurende de voorbije decennia schrikwekkend naar beneden gedonderd. Ons IQ daalt ook van jaar tot jaar. Maar dat laatste gelooft nog niemand: dat zullen we eerst nog eens twintig jaar hardnekkig ontkennen.

Het blijft uiteraard niet bij onderwijs. Het kan dan ook nauwelijks verwonderen dat bij voorbeeld in het klimaatdebat niemand nog interesse heeft voor waarnemingen en metingen. Consensus is alles wat we nodig hebben!

De elite van de late twintigste eeuw had het postmodernisme zelfs in zijn meest radicale vorm (Jean-François Lyotard) omhelsd. Ze schrok er dus niet van als Fukuyama beweerde dat het bijna unaniem triomfgevoel de werkelijkheid en de waarheid vertegenwoordigde.

Hoe gaat het nu verder?

De triomfantelijke zekerheid van Fukuyama is wel bijna volledig verdwenen. Ze heeft plaats gemaakt voor wat ik “gedempte radeloosheid” noem. Het geloof in de maakbare wereld en de nieuwe mens is echter, ondanks alle waarnemingen, nauwelijks verzwakt. Feiten zetten zich altijd maar zeer moeizaam door tegen geloof. Fukuyama denkt dan ook niet dat hij principiële redeneringsfouten gemaakt heeft: hij meent dat wij gefaald hebben bij de doorvoering van het plan. Dat laatste is op een merkwaardige manier zelfs correct. Fukuyama had enkel niet gezien dat ons falen voorbestemd was.

Met onze maatschappij is het – naar mijn mening – post Fukuyama allesbehalve florissant gesteld. De misvattingen en dwalingen die ik hierboven beschreven heb woekeren welig. Een beschaafd debat is zo goed als onmogelijk geworden. Dat is het gevolg van het cultureel Marxisme dat geen debat kent maar enkel strijd met een vooraf vaststaande uitkomst, en dat zowel postmoderne elementen als de theorie van Antonio Gramsci gebruikt. De “progressieven” zijn erin geslaagd het openbaar debat te kapen en hun terminologie aan heel de maatschappij op te dringen. Ik zie ook mensen, die denken dat ze kritisch zijn, de “progressieve” begrippen en hun invulling gebruiken. De sociale media helpen daarbij ook niet. Er is een nieuwe toonaangevende klasse ontstaan: de activisten.

Een van de oude bestaande begrippen die de activisten meer recent onder handen genomen en een nieuwe invulling gegeven hebben is ‘haat’. Daarvan zijn meteen ook een aantal derivaten geproduceerd: hatelijke taal, haatcampagne, haatmisdrijf etc… Haat is uiteraard iets waarvan enkel de “progressieven” het slachtoffer zijn.

 boosHaat is volgens sommige activisten het grote probleem van deze wereld.
Hiernaast een klein fragment uit een persfoto van een manifestatie dat ik nogal sterk uitvergroot heb. Wat zien jullie dan op het gelaat van die jonge activiste? Mij herinnert dat beeld sterk aan de schetsen en beschrijvingen die Konrad Lorenz maakte van de gelaatsuitdrukking van honden voor zijn “Das sogenannte Böse”. 2

Een wereld waarin viscerale afschuw voor de andersdenkende vrijwel de norm wordt houdt voor mij weinig belofte in.
Ik heb ondanks alles vertrouwen in de evolutie. Ze zal gestaag en onverstoorbaar doorwerken naar een doel dat ze niet eens zelf kent, torenhoog boven onze infantiele pogingen tot begrijpen verheven. Of ze daarbij nog een rol voor de westerse mens zal hebben is een andere vraag. Maar die is, op de keper beschouwd, niet eens zo geweldig relevant.

 

 

 

 

Uw dwarsligger

1 The end of history and the last man. Francis Fukuyama
Profile Books ISBN-13: 978-1781259801
2 Das sogenannte Böse: Zur Naturgeschichte der Aggression (1963) Konrad Lorenz
dtv Verlagsgesellschaft ISBN-13: 978-3423330176