Deja Vu LogoEen opmerkelijke overeenkomst met het Romeinse Rijk in de vierde eeuw

 

 

Het Romeinse Rijk

Op kaarten die de verspreiding van het aantal christenen in het Romeinse Rijk aangeven is te zien hoe de christenen rond 300 van onze jaartelling sechts beperkt aantal kleine eilandjes vormden. Ze waren in totaal niet erg talrijk: maximum zo’n 10% van de bevolking.

Kaarten die de verspreiding van het christendom onder de bevolking aangeven rond 600 laten zien dat op dat ogenblik het Romeinse Rijk dominant christelijk was geworden. Weliswaar ging het vaak om soms curieuze vermengingen van oude godsdiensten met het nieuwe christendom, maar dat laatste slorpte uiteindelijk de oude religies op.

Historici wijzen gewoonlijk enkele factoren aan die de oorzaak zouden zijn dat het voorheen heidense Romeinse Rijk op enkele honderden jaren dominant christelijk kon worden.

In de jaren tussen 300 en 600 verdween de oude heerschappij van de Romeinse aristocratie en kwamen de gebieden van dat voormalige rijk, althans in het Westen, onder het gezag van nieuwe heersers, wier oorspronkelijke etnische wortels niet in het Romeinse Rijk lagen.

Die nieuwe heersers erfden dus grote brokken van een imperium, dat ze nu moesten besturen. Vaak hadden ze daar de capaciteiten niet voor want velen onder hen waren zo goed als ongeletterd en ze moesten een beroep doen op elites die ze overnamen uit het ingestorte Romeinse rijk. Die elite werd in belangrijke mate belichaamd door een geestelijkheid, die toen al grotendeels christelijk was. Een kerstening kwam goed uit, omdat het daardoor makkelijker werd om het rijk te besturen. In plaats van een pleiade van locale stamgoden kwam er nu immers één enkele religie in de plaats, waardoor alle inwoners van hun rijk een vorm van onderlinge herkenbaarheid verkregen. Bekend is het doopsel van Chlodovech. Niemand twijfelt er tegenwoordig nog aan dat diens doopsel een puur politiek-opportunistische daad is geweest, onder meer om de geestelijkheid mee te krijgen. Tegelijk kregen de christelijke monniken de kans om door het land te trekken en hun nieuwe godsdienst te verspreiden.

 

Een plotse omslag

Dat historische verhaal moge waar zijn, de vraag luidt toch waarom het christendom zich zo snel kon verspreiden. De Germanen waren immers heidenen en door hun grote getal maakten ze het de kerstening nog lastiger.

Daarover vinden we bij de Nederlandse auteur Wim Jurg interessante denkbeelden. Het blijkt dat de kerstening voornamelijk een proces is geweest dat zich in de concrete praktijk van het dagelijkse leven van elke dag afspeelde, slechts merkbaar in kleine dingen zoals het bijwonen van een heidense dienst onder vrienden en ’s zondags de christelijke kerkdienst volgen. Zo gleed de hele maatschappij slinks en ongemerkt weg naar een zich steeds verder opdringende dominantie van wat eerst slechts een kleine christelijke parallelle maatschappij was geweest.

 Laten we even naar de Romeinse politiek ten aanzien van de nieuwe godsdienst kijken.

 De christenen werden al snel vervolgd. Ze ondermijnden immers de spirituele grondslagen van het rijk. Ondanks de soms felle vervolgingen hielden zij hardnekkig vast aan hun geloof. Meer zelfs: hoe meer ze werden vervolgd, hoe vaster ze zich in hun overtuiging vastbeten. Ze vonden hierin onder meer een teken van uitverkiezing of van angst bij de Romeinse overheid. Velen bewonderden de moed van de christenen, waarvan velen het martelaarschap niet uit de weg gingen.

Tegelijk boden de christenen geen weerstand van betekenis, tenminste niet in gewelddadige zin. Deze houding van standvastigheid kon bij sommige niet-gekerstende Romeinen op respect rekenen in een culturele situatie waarin existentiële onzekerheid en diepe maatschappelijke onrust om zich heen grepen. Christenen toonden iets wat de etnische Romeinen kennelijk verloren waren: zelfbewust geloof in de eigen waarden. Het feit dat de vervolgingen niet volstonden om de nieuwe godsdienst uit te roeien, bewees voor sommigen bovendien zijn superioriteit.

Koppig weigerden de christenen de Romeinse goden te vereren. Evenmin aanvaarden ze de Romeinse feestdagen, maar hielden zich uitsluitend aan hun eigen feestdagen. Iets gelijkaardigs geldt voor alle met religie verbonden gewoonten die zich rondom het christendom ontwikkelden en die afweken van de Romeinse gewoonten, zoals kledij en sociaal gedrag. Ze vormden inderdaad een heuse parallelle maatschappij.

Om de bestuurbaarheid van het Rijk te waarborgen begonnen de Romeinse heersers maatregelen te nemen om de christenen in staat te stellen hun eigen godsdienst te beleven. Daarmee gaven ze toe aan de christelijke druk. De Romeinse machthebbers hoopten op die manier religieuze conflicten te voorkomen en verschillende religieuze gezindten onder één politiek gezag te verenigen. Al klonk die houding voor sommigen als een herstel van de oude Romeinse tolerantie, toch interpreteerden de christenen die Romeinse religieuze gematigheid als een toenemende kans om hun eigen godsdienst op gelijke hoogte te gesteld te krijgen met de staatsgoden. De Romeinse tolerantie leek de christenen vooral een teken van zwakheid.

Hoewel de ontwikkelingen in het Oost-Romeinse Rijk wat anders liepen dan het in West-Romeinse Rijk is het toch veelzeggend dat in 320 in het Oosten een wet in voege kwam die bepaalde dat bisschoppelijke uitspraken over conflicten onder christenen voor de staat rechtsgeldig werden. Zelfs voor burgerlijke zaken konden christenen zich beroepen op de bisschop en zich dus onttrekken aan de burgerlijke rechtspraak. Het Oost-Romeinse rijk nam ook de christelijke weekindeling in zeven dagen over, inclusief de zondagsrust.

Met andere woorden: de politieke overheid deed afstand van haar exclusieve machtsaanspraken en nam uit de nieuwe godsdienst elementen over die het dagelijkse leven organiseerden. Het is duidelijk dat een parallelle maatschappij in zulke situatie snel aan invloed wint.

In een tijdspanne die nauwelijks langer duurde dan een eeuw was het christendom dan ook staatsgodsdienst geworden. In het Oosten ging het allemaal wat sneller, in het Westen vormde de doop van Chlodovec in 496 de definitieve omslag. De parallelle christelijke maatschappij was op korte tijd en haast ongemerkt dominant geworden. Zonder een godsdienstoorlog.

 

Een gelijkenis?

Komen we nu naar onze tijd. Velen voelen zich ongemakkelijk bij het steeds manifester aanwezig raken van de Islam en het islamitische waardenpatroon in West-Europa. Ze menen een overeenkomst te zien tussen de processen die uiteindelijk geleid hebben tot de kerstening van het Romeinse Rijk en de feiten en gebeurtenissen met betrekking tot de groeiende aanwezigheid van de Islam in onze contreien.

Eerst even een kleine greep uit recente feiten rondom ons:

  • we zien de verschijning van zogenaamde halal-voeding, waarin sommige handelaren een nieuwe markt zien;
  • bestuurders van zwembaden hebben problemen met kledijvoorschriften, die vanuit islamitische hoek worden betwist;
  • het dragen van de hoofddoek als manifestatie van de aanhankelijkheid aan hun geloof heeft al bij herhaling tot ook juridische problemen geleid. Het dragen van de hoofddoek wekt wantrouwen over de islamitische bereidheid om het seculiere oppergezag van de staat te aanvaarden en lijkt daarom een signaal dat de draagster tot het uiterste zal vasthouden aan wat zij als haar geloof ziet;
  • werkgevers worden geconfronteerd met eisen zoals de mogelijkheid om te bidden op het werk en de eisen van de islamitische vastentijd;
  • de verschijning van islamitische kleding in het straatbeeld en gebedsruimten in steden.

Dat zijn maar enkele voorbeelden.

We zien hier hoe de islamitische bestaanswijze zich duidelijk aandient in concurrentie met de christelijke burgerlijke waarden. Hoe onvolledig ook: het roept inderdaad allemaal de herinnering op aan de manier waarop de parallelle christelijke levenswijze in de vierde eeuw in het dagelijkse openbare leven doordrong. Ditmaal gaat het om een parallelle islamitische maatschappij, die de dominantie van de door het christendom gevormde maatschappij uitdaagt.

We zagen ook hoe een minderheid van 10% van de bevolking erin slaagde de religieuze textuur van een wereldrijk op honderd jaar grondig te veranderen. De islamieten in West-Europa tellen ook zo’n 10% zielen.

 

Een culturele malaise

Net zoals de Romeinse cultuur in de tijd van de vroege kerstening aftands was en in een uitzichtloze malaise verkeerde, bevindt nu onze eigen christelijke cultuur zich in zulke toestand van onmachtige onzekerheid. We geloven niet meer in de waarde van onze eigen cultuur. Wie beweert dat onze cultuur hoogstaand is en waardevol, wordt al gauw als extreemrechts weggezet. We zijn bijvoorbeeld “te wit”. We geven ons over aan een schuldcultuur en we buitelen over elkaar in het uitspreken van historische pardons over zowat alles wat West-Europa kan worden aangewreven: het kolonialisme, de slavenhandel, de uitbuiting van ander volkeren, het wegslepen van autochtone grondstoffen.

Last but not least zijn we ons gaan wentelen in een postmodernistische afbraak van alle grote waarden. Het postmodernisme heeft elke waarheid afgeschaft: alles is namelijk even goed – Nietzsche zou hierbij hebben gevloekt! Er bestaat voor het postmodernisme niet één waarheid: er zijn er zoveel als er mensen zijn.

Dat is de totale afbraak van de spirituele en intellectuele samenhang van onze samenleving, de totale desintegratie.

Men moet dit koppelen aan de moderne mode van de uitholling van de nationale identiteit. We horen allemaal kosmopolieten te zijn en de oude kerktorenmentaliteit achter ons te laten. Maar tegelijk met onze nationale identiteit verliezen we de daarbij horende mentale structuren en daardoor komen we in een oeverloos intellectueel en spiritueel moeras terecht, waarbij we elk gevoel voor richting verliezen. Holland is niet alleen een politieke natie. Het is ook een door het calvinisme gestempelde gemeenschap van mensen.

Tegelijk is bovenop nog eens onze religieuze identiteit volkomen uitgehold.

 

Onze weerbaarheid verloren

Verzetten we ons niet? Jammer, want wij zijn onze weerbaarheid verloren en dus ondernemen we niets. Hooguit rommelen we wat in de marge. We weten niet langer wie we zijn en welke plaats we innemen. We merken dat als we zien hoe weinig we nog over hebben voor zoiets als militaire defensie. Dat is tekenend: defensie begint namelijk tussen ons aller oren.

Als we stand willen houden tegenover een zich opdringende Islam, waarvan we de prestaties in het Midden-Oosten zien – bij mijn weten hebben midden-oostelijke islamieten nog nooit een Nobelprijs in de wetenschappen gewonnen – dan moeten we ons toch wel afvragen of we onze weerbaarheid niet moeten herstellen. Weerbaarheid begint met de wil het beste in onszelf na te streven. Dat vereist geloof in de eigen krachten en de onverzettelijke wil om ons eigen pad verder te gaan.

Maar wij doen precies wat de Romeinse heersers deden: wij geven systematisch toe aan alle eisen vanuit de islamitische hoek, zonder tegelijk aan de eigen perfectionering te werken. Zo laten we de kwaliteit van ons onderwijs op de schop gaan, onder meer omdat onze islamitische medeburgers anders achterop raken. Dat is een zeer zware toegeving, misschien meer dan we zelf in de gaten hebben. Voorlopig lijken het allemaal voornamelijk uitwendigheden, maar wie goed toekijkt weet dat het uiteindelijk om veel meer gaat: namelijk over de fundamentele organisatie van ons leven en onze maatschappij. Denken we maar aan de positie van de vrouw in het openbare leven.

Als we het binnendringen van de islam willen weerstreven, krijgen we te horen dat we onverdraagzaam zijn. We mogen ons dus niet eens meer verweren! Meer zelfs: we bestraffen ons eigen verzet tegen een mogelijke islamitische overname van West-Europa door het invoeren van wetten tegen racisme en discriminatie. Voor de invoering van dergelijke wetten op zich is wellicht een verantwoording mogelijk, maar in de feitelijke praktijk draaien die wetten uit op het afbreken van onze weerbaarheid tegen islamisering. We sluiten de ogen voor het militant missionaire karakter van de islamitische religie. Hiermee is niet het moordende jihadisme bedoeld, maar de hardnekkige standvastigheid en de koppige overtuiging van een religieuze en culturele superioriteit, die we ook bij de vroege christenen aantroffen.

We sturen onze kinderen op bezoek bij islamitische instanties – ze zijn zo lief, meneer! - en sluiten de ogen voor het feit dat op sommige plaatsen, zoals in sommige Londense wijken, de sharia de plaats van het burgerlijk recht heeft ingenomen.

De enkelingen die de verschijning in het straatbeeld van islamitische kenmerken zoals de hoofddoek afkeuren, zetten we weg als extremisten, hoewel die mensen niets anders doen dan kritische vragen stellen. Erger nog: we organiseren een sfeer van politieke correctheid waarin de misdaden van islamitische jongeren tegenover blanke vrouwen worden weggemoffeld, zoals in Bielefield.

We strijden niet langer: we geven ons over, net zoals de Romeinen deden.

 

De werkelijkheid van de multiculturele maatschappij.

Het is nodig op dit punt aangekomen iets te zeggen over de zogeheten multiculturele maatschappij. Men kan zich voorstellen dat pleitbezorgers van de multiculturele maatschappij het ontstaan van een parallelle islamitische maatschappij best wel kunnen aanvaarden. Ze stellen dat zulks niet meteen tot een confrontatie hoeft te leiden. Het volstaat dat de verschillende obediënties zich onderwerpen aan de opperheerschappij van de seculiere staat.

Het voorbeeld van Rome leert echter dat zulks illusie is, omdat de groep die zelfbewust mag geloven dat ze uiteindelijk het pleit zal winnen, geen enkele reden heeft om zich aan te passen of zich te schikken naar de eisen van de seculiere staat. We zien hoe het, bijvoorbeeld, in Iran is gelopen: zodra de betrokken obediëntie zich sterk genoeg acht, duwt ze de seculiere staat weg en trekt ze zelf alle staatsmachten tot zich. De invoering van de multiculturele staat is dus al een terugtrekking op zichzelf. Ze is het medium waarin een parallelle samenleving zich kan innestelen.

Een multiculturele maatschappij is geen stabiele toestand.

Islamieten merken intussen dat hun volgehouden druk op onze samenleving hen steeds weer nieuwe toegevingen oplevert. De eis tot halal-voeding wordt in warenhuizen gehonoreerd; de tolerantie ten aanzien van de hoofddoek neemt toe; er wordt opgeroepen tot respect voor de religieuze gewoonten van de nieuwe godsdienst; het begin van de ramadan is een gewoon nieuwsissue geworden zoals de melding dat de christelijke vastentijd begonnen is; de kledingeisen nopen zwembaddirecties tot uitzonderingsregels; de constatering dat de sharia in sommige grote steden het burgerlijke recht vervangt is verworden tot een gewoon nieuwsfeit. Volgens de protagonisten van de multiculturele maatschappij mogen we in de beste postmodernistische zin zelfs geen onderscheid maken tussen “onze cultuur” en “de Islam”, omdat cuturen immers allemaal evenwaardig zijn en de Islam bij Europa zouden behoren, wat pertinent onwaar is. We ondermijnen dus onze eigen door het christendom gestempelde cultuur door zelf plaats in te ruimen voor een concurrerend alternatief.

Op precies dezelfde manier ging het eraan toe in de vierde eeuw: de erkenning van de aparte erediensten en dito levenswijze van een nieuwe, militante religieuze cultuur als een integrerend onderdeel van de maatschappij met een wetgeving nààst de officieel-burgerlijke. Alles ingebed in een haperende cultuur.

De constatering dat deze toegevingen plaats vinden bevordert nog eens de islamitische overtuiging van hun eigen superioriteit. Net zoals bij de christenen in de vierde eeuw.

Overigens hoeven islamieten niet eens de confrontatie op te zoeken. Hun groeiende demografie bezorgt hen als vanzelf het overwicht zodat die, net als in de Romeinse tijd, voor een verschuiving van het etnische zwaartepunt zorgt.

Laten we maar niet te veel rekenen op de zegeningen van de multiculturele maatschappij.

 

Conclusie

  West-Europa heeft een groot probleem. Dat probleem heet helemaal niet ‘nationalisme’, zoals mensen als Frans Timmermans denken. Als we nationalisme correct opvatten, nl. als de politieke organisatie van onze samenleving, dan valt zelfs de stelling te verdedigen dat we te weinig nationalisme uitstralen. Met wat meer nationalisme zouden we waarschijnlijk meer weerbaarheid opbouwen. We zouden grotere aandacht hebben voor onze eigen culturele en spirituele identiteit. We zouden sneller oog hebben voor de overeenkomsten tussen de processen van de kerstening van het Romeinse Rijk in de jaren 300 - 400 en de feiten in verband met de massale instroom van de islamitische religie in onze dagen. We zouden beter voor en tegen afwegen. We zouden beter handelen.

De vergelijking tussen de feiten in de jaren 300-400 en de gebeurtenissen in onze dagen is, voor wie toekijkt, enigszins schrikwekkend.

Sommigen zullen ons voorhouden dat het allemaal zo’n vaart niet loopt. En we moeten toegeven dat het van ondergeschikt belang is welke concrete vorm de religieuze ervaring aanneemt. Maar intussen leren we toch maar dat het nà 400 nog zo’n 1000 jaar geduurd heeft vooraleer de moderniteit is kunnen doorbreken. Gaan we nu weer een stilstand van 1000 jaar tegemoet als de Islam de dominante religie wordt?

Moeten we echt het risico nemen?

 

Uw Dwarsligger

 

Wim Jurg. De vierde eeuw. Of hoe het christendom staatsgodsdienst werd. Damon, 2011.