Der TaubeBeste Vrienden, ik probeer Brussel te mijden. De lucht is er slecht en er zijn grote bevolkingsgroepen die, horresco referens, duif een lekkernij vinden en van Brussel zonder meer, en niet helemaal ten onrechte, verwachten dat de gebraden duifjes er in hun mond vliegen.

Met heel Antwerpen maar niet met mij. Bovendien zijn we er niet welkom. Onze centen nemen ze natuurlijk – met enige gespeelde moeite – aan, maar de rest van ons moet maar beter weg blijven. “Keer naar uw dorp” riepen ze, lang geleden (nog voor de Google vertaler), naar Vlaamse betogers.

Toch voel ik me soms gedwongen daar een tussenstop te maken. De reden is: cultuur, meer bepaald theater. Brussel heeft één genre tot wereldwijd erkend topniveau ontwikkeld: de vaudeville. De Brusselse vaudeville, waarvan momenteel het 7834ste bedrijf onder grote publieke belangstelling speelt, is interessant hoogstaand theater.

Het ‘discours’ is van Kafka. De decors heeft James Ensor geschilderd. Voor de regie is Honoré Daumier verantwoordelijk. Die laatste heeft bijzonder veel aandacht besteed aan de mimiek en lichaamstaal van de acteurs. Het Leger des Heils heeft de garderobe geleverd. De dialogen zijn bewerkt door Paul van Ostaijen en sterk dadaïstisch getint. Ook de ballet intermezzi (choreografie en leiding Yvan Mayeur) bekoren. Mensen die hier connotaties oproepen, met ‘ballets roses’ of zo, zijn van slechte wil. De muziek is – hoe kon het anders? – van Dmitri Sjostakovitsj, die als enige componist voldoende persoonlijke ervaring met zowel chaos, miserie als Stalinisme had en bovendien over de nodige ironie beschikte, om een glimpje van Brussel te kunnen begrijpen. Het orkest is, uiteraard omwille van de kosten, afgeslankt tot één accordeon. Die wordt bespeeld door een via het lot aangeduide amateur. Dit mag verwonderen, maar in Brussel doen ze al heel lang alles met amateurs. Ze beweren dat ze daar positieve ervaringen mee hebben. De PS ziet hier haar hoogste goed: de gelijkheid, volledig doorgezet.

Het is een meeslepend stuk theater. Beulemans en het Ketje gaan in dialoog in de eenzame intellectuele hoogten die voor beide kentekenend zijn. De grenzen van de absurditeit worden genadeloos afgetast. De toeschouwer wordt heen en weer geslingerd tussen lachen en huilen, maar is in ieder geval tot in zijn diepste wezen beroerd en ontroerd en tot in zijn portefeuille getroffen.

De kritieken in de media zijn unaniem laaiend enthousiast. In ‘De Standaard’ verscheen onlangs een artikel van twee bladzijden over de metafysische betekenis van het klein wit salontafeltje dat links achter op de Bühne staat en schijnbaar niets met niets te maken heeft. Dat was een bijdrage op zeer hoog niveau – Annie M.G. Schmidt zou het verrukkelijk gevonden hebben – en er stonden zelfs maar twee taalfouten in.

Over de enscenering van de ‘grande finale’ is – zoals over alles in dit gezegende land – al het een en ander uitgelekt. “Grandioos” is een te zwak woord. Duizenden figuranten, gemakkelijk en goedkoop te vinden onder de ontelbare laag opgeleiden die ooit – dank zij Zaventem – werk hadden, trekken depressief in een grauwe stoet over het podium richting OCMW, terwijl het koor “Va Pensiero” van Verdi zingt. Op de achtergrond worden grijzende maskers van Ensor door elkaar gewerveld, ze groeien tot enorme proporties en spatten dan met een knal uiteen, precies synchroon met de muziek. Het belooft absoluut overweldigend te worden. We zullen daar nog wel even op moeten wachten, want dat komt pas in het 7838ste bedrijf.

Een dergelijke monumentale enscenering zou natuurlijk nooit mogelijk zijn zonder de permanente loyale financiële steun van de Vlamingen. We willen hier dan ook uitdrukkelijk de dank van een deel van onze culturele elite voor de absoluut grootmoedige subsidiering van het spektakel vermelden. Het ander deel van onze elite voelt geen dankbaarheid: het is hun onvervreemdbaar recht dat de Vlaamse gemeenschap het voor hun fratsen nodige klein geld op tafel legt.

Vanzelfsprekend trekt deze half bohémien, half maffia coulisse ook ander middens aan, die zelf af en toe behoefte aan absurd theater voelen. De Europese gemeenschap en de NATO, om maar enkele voorbeelden te noemen, hebben zich daar dan ook behaaglijk genesteld, maar dragen teleurstellend weinig tot de kosten van het cultureel kader bij.

We moeten wellicht toch nog even stilstaan bij het heel eigen karakter van deze unieke Belgische theaterstijl, die door sommige vooraanstaande theatercritici vandaag graag als ‘neo-absurdisme’ omschreven wordt. Het bijzondere aan dit theater is het verrassende, het verraderlijke. Het stuk kabbelt vrolijk van een enorme naar een nog grotere absurditeit, in een schijnbaar bijna aandoenlijke onschuld. En dan plots, uit het niets, het cataclysme: zonder enige ombouw van de decors dondert de volledige scene met een enorme klap de realiteit binnen, terwijl we toch zeker waren dat het stuk daar niets verloren had. Tientallen mensen sterven en er volgt een beklemmende stilte: niemand begrijpt hoe het ooit zo ver kon komen. Ook in het 7834ste bedrijf is weer ruim potentieel voor een dergelijke ontknoping. De vraag die alle obsessieve volgers van soap reeksen kwelt duikt ook hier op: zal het noodlot nu toeslaan of niet? Dit zijn dramatische momenten van een ongeëvenaarde intensiteit. Zelfs de klassieke Griekse dramaturgen bleven hier ver onder. Vlamingen, ik ben heel zeker: dit is uw geld waard!

 

Uw simpele duif

Bewaren

Bewaren