kerstduifHet is alweer Kerstmis. De tijd vliegt mensen… Hij flitst voorbij gelijk den blauwe geschelpte van de Charel op zijn beste dagen.

Kerstmis geeft me altijd een raar gevoel. De onbeschrijfelijke barbaren – ik bedoel daarmee de mensen, met uitzondering van de Jef, mijn baasje, die echt wel beschaafd is – hebben een soort traditie om op die dag gans te eten. Nu voel ik geen bijzondere sympathie voor ganzen: ze zijn spreekwoordelijk dom en ze kwaken om te luider. Maar het zijn en blijven tenslotte vogels, dus familie van mij.

Het zijn echt wel rare snuiters, de mensen, maar dat hoef ik jullie – een erudiet en alert publiek – allang niet meer te vertellen. Buiten het feit dat ze nog altijd gans met gebraden appeltjes verorberen, is er van het oorspronkelijke Kerstfeest niet meer veel over. Kerstmis herinnert aan de geboorte van Jezus Christus, die op de wereld kwam om de mensheid een beetje verstand en empathie bij te brengen: de man die weldoende rondging. Dat lijkt me meer dan nodig, ook vandaag nog. In Europa is Jezus van Nazareth desondanks niet meer populair: verstand en empathie zijn hier dan ook ver zoek. Ook een kerstkaartje met een ‘stalleke’ erop is tegenwoordig nog maar heel moeilijk te vinden.

Kerststalduif

Eerst voerden ze de kerstman in; een onguur persoon als je het mij vraagt, met een zeer beperkte woordenschat: “Hohoho” en niet veel meer. Het voordeel is uiteraard dat je daar niet zo gemakkelijk een fout in kunt schrijven. Dat wordt door onze jeugd zeker geapprecieerd. Ook zijn entourage boezemt me weinig vertrouwen in. Bijvoorbeeld dat rendier Rudolf, u weet wel: die met de rode neus. Ik ben er bijna zeker van dat die rode neus door zijn drankmisbruik komt. Ik heb al veel van die rode neuzen gezien, vroeger in het lokaal van de duivenbond, als de Jef me wegbracht voor mijn legendarische vluchten. Maar ondanks alles; de Kerstman is een held. Neen, niet van de Sovjet-Unie maar van de commercie.

Uit louter dwarsigheid tegen Jezus, die hoewel ze hem tweeduizend jaar geleden vermoord hebben toch hardnekkig weigert te verdwijnen, gaan we tegenwoordig zelfs het woord Kerstmis uit onze woordenschat bannen. Sommigen praten al liever over het Winterfeest. Ze zouden ook ‘joelfeest’ kunnen zeggen. Dat hadden de nazi’s al tachtig jaar geleden als concurrentie voor Kerstmis uit het grauwe verleden opgegraven. De nazi’s hadden die Jezus ook al niet hoog op. “Bemin je naaste”? Maar dan wel uitsluitend ariërs! En stel je voor: Jezus was een jood. Maar zelfs de nazi’s durfden dat toen nog niet luidop zeggen. Hun hedendaagse geestelijke erfgenamen, die zich – zoals Churchill met zijn unieke luciditeit voelde aankomen – antifascistisch noemen, hebben op dat gebied veel minder scrupules.

De Jef, een wijs en gematigd man, denkt dat ze minstens wat de datum betreft een punt hebben. Niemand weet echt wanneer Jezus van Nazareth geboren werd. 25 december was voor de Romeinen de feestdag van “sol invictus”: de zon die er niet onder te krijgen is. Maar ook de oude Germanen vierden rond die tijd hun joelfeest. De vroege christenen waren – als het er niet echt op aankwam – pragmatisch, en ze lieten dus de verjaardag van Jezus ook maar rond die tijd vallen. Niets nieuws onder de zon: ook de verjaardag van de Britse monarch wordt op de tweede zaterdag van juni gevierd, wat de geboorteakte ook mag zeggen.

Dat joelfeest had tweeduizend jaar geleden – jawel, ook toen al – te maken met een klimaatramp in Noord-Europa. Ieder jaar werd het in de late herfst een beetje eng. Het was koud, nat en donker. De oogst was zo langzaam opgesnoept en de wouden leverden niet veel eetbaars meer. Het leek wel alsof de wereldondergang nabij was. De mensen werden bang en verlangden wanhopig naar de leven brengende zon.

Bij het joelfeest, net op het toppunt van de duisternis, deelden de druïden dan plechtig aan het volk de blijde boodschap mee: “Het is ons met grote inspanningen en krachtige toverspreuken, en uiteraard geweldig ondersteund door jullie grootmoedige offers, gelukt de klimaatcatastrofe af te wenden. We hebben het weg galopperende paard van de zon gevangen en met een heel lang touw aan een paaltje gebonden, zodat het nu niet anders kan dan rondzwaaien en terugkeren. Wacht nog maar even af: de zon zal er gauw weer zijn” En ze kwam terug; ieder jaar, absoluut betrouwbaar. Knappe gasten die druïden! Waar zijn ze nu, de wijsneuzen die zeggen dat de mens het klimaat niet kan beïnvloeden?

Nu die Germanen niet beginnen uitlachen, want de hedendaagse mensen zijn ook niet slimmer. De huidige hogepriesters die vandaag – uiteraard aan duidelijk meer opulente condities – over onze toekomst waken, hebben geen echt betere uitleg dan de druïden. Hij is alleen veel ingewikkelder zodat de mensen denken dat ze hem niet kunnen begrijpen maar dat hij toch wel juist zal zijn (regel 1: als ze ’t allemaal zeggen zal ’t wel zo zijn). Bedenk ook dat die druïden ieder jaar leverden, terwijl de hedendaagse ‘wijzen’ nog niet meer tot stand hebben gebracht dan een kunstig aangelegd rookgordijn dat moet ‘verklaren’ waarom hun voorspellingen tot hiertoe nooit uitkomen. Dat komt er altijd op neer dat de mensen meer en grotere offers moeten brengen en dat doen die ook, bijna zonder morren. Geloof me maar: mensen zijn een danig overschatte soort: ze leren niet zo heel veel bij in 2000 jaar.

Maar nu ben ik echt helemaal verkeerd bezig. De Dwarsliggers vroegen om jullie in een warme weldoende kerstsfeer onder te dompelen. Ik heb dat met de Jef besproken, en die denkt ook wel dat het hoog tijd wordt dat de mensen over een paar dingen beginnen na te denken, maar moet dat nu net met Kerstmis zijn? De Jef had een beter idee: laten we Felix Timmermans eens aan het woord.

Zowat iedereen kent Timmermans, een beetje… Hier zien we zijn portret.

Felix Timmermans

Ik denk dat het een heel rare was, met een diepe onderzoekende blik. Ik vermoed dat hij – gelijk de Jef – met de dieren kon praten en misschien zelfs met planten.

Hij kwam van Lier en dus uit het Neteland, aan de uiterste westkant van de Kempen. Kom nu niet af met het feit dat Servais Verherstraeten ook uit de Kempen stamt: we gingen het hier gezellig houden.

Timmermans kende zijn volk omdat hij ervan hield, en niet omgekeerd. Hij beheerste perfect de spagaat tussen het ordinaire en het subtiele, het gulzige en het ingetogene, de plantrekker en de held, tussen primitiviteit en wijsheid. Dat moet ge kunnen als ge de Vlamingen wilt begrijpen, en het is niet iedereen gegeven.

De heilige Fé – zo noem ik hem – bespeelde zijn taal zo schroomvol voorzichtig als ware het een kostbare viool. En toch kon hij ook de uitbundigheid van zijn volk heel treffend afbeelden.

In 1916 schreef hij “Het kindeke Jezus in Vlaanderen” en hij verplaatste de “gewijde geschiedenis”, zoals dat toen heette van Galilea naar hier. Mythische verhalen reizen normaal niet gemakkelijk onbeschadigd. Maar in dit geval geloof ik dat de essentie van Kerstmis er duidelijker bij werd.

Ik raad u dus aan het volgende eens heel aandachtig te lezen. Of nog beter: steek een kaars aan en lees het traag en gedragen aan uw kleinkinderen voor. Ik denk dat het kan helpen om u in de betovering van Kerstmis onder te dompelen en de schoonheid van de eenvoud te zien. Ik geloof dat het echt werkt. De waanzin zal achteraf nog altijd even groot zijn, maar veel beter te verdragen.

Zalig Kerstfeest.

Uw Simpele Duif.

Uit “Het kindeke Jezus in Vlaanderen” Felix Timmermans 1916

Zachtkens werd er op de deur geklopt.

Jozef zag verbaasd en vragend Maria aan, die seffens opstond en hare armen over het kind uitstrekte om het te beschermen. Zonder iets te zeggen, met een kloppend hart, zette Jozef voorzichtig de deur op een spleetje, en ontwaarde ruwe goede herderskoppen, gemantelde vrouwen en nieuwsgierige kinderen.

Een met roodomrande oogskens vroeg: „Is ’t hier dat er een kindeken geboren is? Een engel des hemels heeft ons gezegd het te zoeken.”

Ja,” zei Jozef met fierheid in de stem, „’t is hier, maar ’t slaapt,” en hij zette zijn wijsvinger aan den mond; en seffens ging het waarschuwend van mensch tot mensch: „sst, sst, het slaapt!”

Jozef deed de deur wagenwijd open en wees hun naar de plaats waar in zacht lantarenlicht, een bleek langharig meisje aandachtig-bezorgd over een kindeken gebogen was.

En met voorzichtige voeten, op de teenen schoven ze een voor een het stalleken binnen; de venten deden hun hoed af lijk in de kerk. Allen schaarden zich rond de kribbe, waarin tot hun eerste verbazing een doodgewoon kindeken sliep; maar stilaan kwam er, den engel indachtig, een blijheid over hun wezen, en straling in hun oogen; zij schoven belangstellend dichterbij, de kinderen drongen vooraan, de vrouwen wisten zich vóór de mannenmenschen te zetten, en wie te ver naar achter stond plaatste zich op een kuip of op een bussel hout om over de koppen te kunnen zien.

Maar met al dit volk was het er stil en ingetogen, en bewonderend, vervuld van eerbied en van vroomheid zagen hunne oogen van het kind naar de moeder, en van de moeder naar het kind. De blinde glimlachte alsof hij iets zag. Maria was fier en zalig om al die vereering voor haar kind, en zij knikte hun toe als oude kennissen, en Jozef stond daarachter in zijn handen te wrijven van innige verblijding.

Bienus knielde, en allen knielden na en vouwden hunne handen. De stilte der aanbidding regeerde in het stalleken.

Een oud vrouwken was ’t eerst die de vierkantige latten van hare armen vooruitstak, biedend een pond boter op savooienblad.

Hier zie, menschken,” zei ze, „om op uw brood te smeren.”

En nu was ieder haastig om het zijne te geven. Daarmee kreeg Jozef werk om uit menschen- en kinderhanden de eieren, het vet, de hesp, de doeken, de appelen, den os, de siroop in schoone steenen potten, de melk in koperen stoopen, en andere nuttige dingen aan te nemen.

Maria verschoot er waarlijk van, maar toen er een vlaskoppeken van een kind was, dat haar een bloempotteken met helroze, geurige geraniums aanbood, toen rees de ontroering in een krop naar haar keel, en blonken er tranen in ’t wit van haar oogen.

Van alle kanten wierd er nu van ’t groote hemelwonder verteld, van den schoonen engel en zijn woorden, van heel het zingende visioen, van het kind, dat goddelijk was, en tot machtige dingen bestemd was op de wereld.

Maria aanhoorde dit alles, en verborg het als schatten in haar hart.

De vrouwen kwamen ook al in hun element, en begonnen tegen Maria hunne verbazing uit te leggen over den goeden mirakuleuzen afloop, en zij gaven haar raad, zeiden haar recepten en straatremediën, vol tooverij en bijgeloof. Maria luisterde aandachtig naar die verwarde geruchten, en was bang dat ze het allemaal niet zou kunnen onthouden. En terwijl stonden de kinderen, met roode neusjes, rond het kribbeken, en fezelden tegen malkander; dat het onder zijn schoudertjes, vleugeltjes had, dat het een engel in slaap kwam wiegen, en dat het nooit niet sterven kon, en met elken traan een geloovig zieltje verloste.

Maar met al dit overentweer gepraat, schoot het wezentje wakker, en met groote oogen zoo blauw als vergeet-mij-nietjes, aanzag het al die menschen een wijle, en begon toen luidkeels te schreeuwen.

O! wat een schoon kind,” ging het bewonderend uit aller mond, toen zij die zachte droom-oogen zagen; doch Maria, lijk alle jonge moeders, verontrust door ’t eerste schreeuwen van het kind, peinsde reeds aan ziekte en ongeluk, en poogde het tot zwijgen te brengen door allerzoetste en bezorgde woorden.

Ge moet niet bang zijn,” troostte een bloemige vrouw, „met schreeuwen geraken ze groot, daar groeien ze van.”

Doch eenieder draaide zich om naar gedempt gesnik.

Ach, ’t is de blinde,” zei een herder tot Maria „hij heeft verdriet omdat hij het kindeken niet kan zien.”

Neen, ’t is daarom niet,” snikte de blinde Jodocus uit zijn hoek komend, „want ik heb licht gezien. Maar gij allemaal kunt aan het kindeken wat geven, doch blinden kunnen niets geven. Is dat niet droevig?…. Och het snijdt lijk messen door mijn hart. Maar,” smeekte hij dan ootmoedig tot Maria, „mag ik u een schoon liedeken spelen op mijn viool, ’t is ’t eenige wat ik geven kan, omdat ik anders niets heb. Blinden zijn geboren om te krijgen.”

Zeker, beste man!” zei Maria, en een trilling van medelijden was er in haar woorden.

Er kwam stilte, diepe stilte; de blinde glimlachte naar iets, en toen begon hij te strijken met een edel gebaar. Zijn rood gelaat wierd wit van aandoening, en er gleed uit zijn viool een zang die gestolen scheen van de engelen van daarstraks. Heel het stalleken was er mee gevuld, en het kind zweeg, en al de boerenkoppen, die bijna nooit iets anders gehoord hadden dan wat zagerig muziek in de kerk, of een polka op de kermis, wierden van zijne zuiverheid vervuld, en er kwam iets over hen dat het schoonste was wat zij bezaten. Over die ruwe ongeschoren, arme menschen straalde de koninklijke klaarte van hun ziel, en de blinde lekten de tranen van zijn kaken.

En als ’t gedaan was, en zijn strijkstok nevens hem hong, stond hij weer te glimlachen naar iets omhoog.

Ik heb het kind gezien,” snikte hij, „ik heb het gezien! Och ’t is zoo heerlijk en zoo schoone!”