Justitiepaleis te traagDoor het veel te trage gerecht, mist de uitgesproken straf haar effect.

 

 

 

Wat is leren?

Volgens de Amerikaanse psycholoog Zimbardo is leren een verandering van gedrag of van mentale processen als gevolg van ervaring.

Dat is een nogal vage omschrijving, maar een voorbeeld zal alles verhelderen.

Wie naar de tandarts moet, steekt meestal vol schrik. Dat komt omdat je bij vorige gelegenheden ervaren hebt wat je bij die tandarts te verduren krijgt. Je vreest dat er bij een volgend bezoek aan deze noodzakelijke plaaggeest eenzelfde nare ervaring wacht. De voorstellingen die de meeste mensen over tandartsen hebben, zitten vol euvele ervaringen en herinneringen.

Wat wij ‘schrik’ noemen is een geheel van psychologische en biologische gebeurtenissen die zich in ons lichaam en in onze mentale uitrusting afspelen. Deze gebeurtenissen verlopen in grote mate automatisch. Daarom duurt het heel lang voor we op deze processen zoveel bewuste greep krijgen, dat ons het angstzweet niet meer uitbreekt als we de deur van de wachtkamer van de tandarts opentrekken.

In het voormelde geval spelen bewuste geestelijke processen een belangrijke rol: we beelden ons allerlei vreselijke dingen in en we vrezen dat ons bij deze gelegenheid weer sommige van deze pijnlijke fenomenen te wachten zullen staan.

Doch dit soort bewuste verwachtingen of cognitieve processen zijn lang niet de enige spelers in het leerproces.

Een voorbeeld daarvan is de conditionering. Daarvan bestaan grofweg twee vormen, maar dat is hier detail. Het essentiële is dat het bij herhaling aanbieden van een prikkel een min of meer automatische respons uitlokt. Het bij herhaling prikken van een kikker als hij begint te kwaken doet hem uiteindelijk zwijgen- al is de vraag voor hoelang. Het is mogelijk om een krekel af te leren te sjirpen, gesteld dat technisch mogelijk is de krekel in de situatie te brengen waarin men hem een negatieve prikkel kan toedienen als hij begint te sjirpen. Zo’n beestje is namelijk nogal klein.

Het is bekend dat dit soort leren verklaard kan worden door een beroep te doen op simpele associatiemechanismen. Daar is zelfs niet eens een neocortex voor nodig.

Omdat de mens zo’n groot voorstellingsvermogen heeft – zeg maar: een grote neocortex-, doen zich in het leven maar weinig situaties voor waarin gedragsverandering kan bewerkstelligd worden waarbij alleen maar onbewuste associaties in het spel zijn. In de meeste gevallen is de keten van oorzaak en gevolg tegelijk voorwerp van fantasieën en rationaliseringen, zodat de blinde associatie in zijn zuivere vorm bij mensen vaak niet terug te vinden valt.

Beloning, straf en bekrachtiging

Tot de universele uitrusting van vrijwel alle levende wezens behoren de wetmatigheden van beloning en straf.

We spreken over een beloning wanneer de reactie (de respons) op een prikkel positief bekrachtigd wordt. In biologische termen: wanneer het uitgelokte gedrag de aanmaak van ‘gelukshormonen’ bevordert. Artsen hebben het dan over endorfines, serotonine, oxytocine enzovoorts.

Als we ons gedragen zoals onze omgeving dat wenst, ontvangen we positieve commentaren. Die ervaren we als een beloning. Als we op het werk doen wat de baas vraagt, dan mogen we loonsverhoging verwachten. Dat is een wel heel bekende beloning.

Straf is vanzelfsprekend het omgekeerde hiervan. Als we het vertikken te doen wat de baas vraagt, lopen we de kans ontslagen te worden. Dat is een straf – of dat is het toch meestal.

We noteren ook dat leren vaak een herhaling vereist. Het geleerde gedrag zal zich maar vastzetten als er bij herhaling een bekrachtiging werd ervaren.

In het geval van een beloning wordt de neiging om het beloonde gedrag te herhalen versterkt. Omgekeerd wordt de neiging om een gedrag dat bestraft wordt achterwege te laten eveneens versterkt. We leren dan af. Als de baas ons loonsverhoging geeft, zullen we de volgende keer zeker ons best doen. Als we net aan ontslag ontsnapt zijn, zullen we volgende keren wel dubbel goed opletten en de dingen die de baas niet wil achterwege laten.

Bij straf wordt dus de neiging versterkt om het gedrag dat bestraft wordt te onderdrukken of achterwege te laten.

Soms echter hoeft de herhaling niet, omdat het indringend effect van de straf zo groot is, dat de schrik voor een nieuwe straf elke vorm van herhaling van het bestrafte gedrag onwaarschijnlijk maakt. Een voorbeeld kan zijn: als iemand aan de doodstraf ontsnapt is, dan is de kans dat hij zich in de toekomst op een heel andere manier gedraagt best wel groot.

Ook hier weer speelt de menselijke fantasie een niet te overtreffen rol. Zo kunnen mensen leren om wat anderen als pijn of nadeel ervaren, te rationaliseren tot iets positiefs. Of ze kunnen zichzelf voorhouden dat het gedrag dat bestraft wordt, slechts tijdelijk zal bestraft worden. Ze ‘hervallen’, zodra de dreiging van de straf is verdwenen. Vaak wegen mensen de voor- en nadelen van beloning en straf af. Wat is het interessantste: uit stelen gaan en snel veel geld te verwerven of het risico lopen gepakt te worden en tegen een donker strafblad aan te moeten kijken?

Het geval A.

We hebben nog allemaal de scéance van de genaamde A. – de man die betrokken was bij een religieus geïnspireerde moordpartij en pogingen tot het opzetten van een complot – in de rechtbank voor ogen. Hoewel de feiten erg duidelijk waren en zijn schuld niet te ontkennen, zodat de advocaat niets anders restte dan zich te beroepen op procedurefouten, bleef hij op zijn proces koppig zwijgen. Hij beriep zich op zijn godheid om zijn gedrag te verantwoorden. Velen hebben zich aan zijn houding fel geërgerd en noemden hem hatelijk-hautain.

Laten we zijn houding eens tegen het licht houden op de achtergrond van wat hiervoor kort over leren, beloning en straf werd gezegd.

Onderstellen we even dat A. – zijn volledige naam doet er niet toe, hij wordt hier maar als stichtend voorbeeld opgevoerd – onmiddellijk na het plegen van de feiten voor de rechtbank zou zijn verschenen.

In dat geval zouden hem het knallen van de schoten, de kruitdamp, het krijsen van de gewonden, het schreeuwen van omstaanders en kort daarop het loeien van politiesirenes en de – waarschijnlijk - onzachte manier waarop hij werd vastgepakt goed herinneren. Zijn armen zouden misschien nog pijnlijk aanvoelen door de strijdvaardige manier waarop politiemensen hem de wapens uit de handen hebben gerukt en in de boeien geslagen.

Deze ervaringen zouden hem – ook waarschijnlijk – onaangenaam hebben getroffen, tenzij hij echt zo’n monster is dat de doodsreutel van een mens hem helemaal niets doet. Dat kan, maar dat is wellicht minder waarschijnlijk dan we geneigd zijn te denken. A. noemt zichzelf religieus en hij ziet dus voordeel in de kans om naar de hemel van zijn godsdienst te kunnen gaan. Dus is hij niet koel-onberoerbaar, zoals in het geval van sommige geesteszieken. We kunnen vermoeden dat de rechtbank, die hem twintig jaar brommen oplegde, ook zo heeft geredeneerd.

Als het gerecht hem heel kort na de feiten zou hebben gestraft, dan zou die straf in zijn cognitief en psychologisch-biologisch systeem sterk geassocieerd zijn geworden met de feiten die hij kort voordien zelf gepleegd had.

In dat geval zou het hierboven beschreven bekrachtigingsmechanisme voluit hebben kunnen werken: gedrag stellen met het oog op het doden van mensen, leidt tot een zware bestraffing. Weg gelukshormonen!

We kunnen ons voorstellen dat vele lieden die, hoe religieus geïnspireerd ze ook zijn, met zekerheid weten dat hen een verschrikkelijke straf te wachten staat, wel twee keer zullen nadenken.

Justitiepaleis te traag

Te trage rechtstaat

Jammer genoeg heeft de rechtstaat in het geval van A. niet de wijsheid getoond om hem lik op stuk te geven. De man heeft in de gevangenis een paar jaar de tijd gehad om na te denken.

In het voorkomende geval wil dat zeggen: hij heeft twee jaar de kans gehad om zijn afschuwelijke daden te rationaliseren. Hij heeft er allerlei (drog)redenen kunnen over verzinnen, bijvoorbeeld door een beroep te doen op sommige verzen uit de Koran. Zo kon hij, voor zichzelf en in zijn eigen wereldbeeld, de schuldgevoelens die hij bewust moet ervaren hebben in balans te brengen met andere cognities, zoals zijn religieuze plicht - want die staat ook in de Koran.

Merk ook hoe hier een proces van afslijten van het effect van de straf plaats vindt. Hoe langer de bestraffing wordt uitgesteld, hoe minder die straf nog doorweegt. Er priemt zelfs een begin van een heuse beloning door: de idee dat hij in een hiernamaals als een held zal worden onthaald voor zijn strijd tegen de ongelovigen.

De tijd tussen de feiten en de straf is simpelweg te lang geweest en in die tijd hebben ideeën die A. een verantwoording voor zijn wandaad toeschenen de kans gekregen om zich in zijn geest te nestelen. Zo kan hij nu de straf waarvan hij wist dat die hem te wachten stond opvatten als een onrechtvaardige bejegening van zijn volgens hem godsdienstige overtuiging. Als stimulus (het knallen van de geweren enz.) en de respons (de straf) te ver uit elkaar liggen, worden ze niet met elkaar geassocieerd. Er komt dan geen negatief bekrachtigingsmechanisme op gang. In de plaats daarvan ontstaan gevoelens van benadeling, onrechtvaardige behandeling en achterstelling, waardoor zijn haat zelfs nog versterkt wordt. Tegelijk wordt het effect van het vooruitzicht op een mogelijke nieuwe straf nadien afgezwakt, als hij op het idee zou komen zijn wandaad nog eens te herhalen.

Dit probleem, dat we hier slechts aanwijzen zonder het verder uit te werken, wijst naar een diepliggend probleem in onze hedendaagse rechtstaat.

Het is bekend dat het lik-op-stukbeleid in de Middeleeuwen algemeen was. Een moordenaar werd in het openbaar terechtgesteld, na een kort en krachtig proces. Soms stierven zware misdadigers een zware marteldood, zoals bij de vierendeling.

Wij, modernen, gruwen als we zoiets horen of lezen. In de Middeleeuwen leek een terechtstelling soms wel op een kermis. Wij moeten daar niet voor pleiten, maar ons wel afvragen of we niet te zacht en te onzeker zijn geworden en het idee van een harde straf niet meer willen of kunnen verdragen. Dat is alleszins de teneur van de studie van Norbert Elias. We rationaliseren onze eigen onzekerheid en weekheid en stoppen die weg achter retoriek over menslievendheid.

Maar in de Middeleeuwen maakte iedereen, ook de omstaanders, in hun beleving een directe associatie tussen de misdaad en de bestraffing ervan. De straf werd toegepast als de misdaad – bij wijze van spreken – nog warm was. Op die manier was het lerend effect veel groter. Dat garandeert niet dat er in de toekomst geen misdaden meer gepleegd worden, maar het verhoogt wel de drempel.

In onze moderne rechtspraak is de afstand tussen misdaad en straf dus te groot geworden om nog enig lerend effect te kunnen sorteren. Daardoor krijgen mensen de kans om over feiten en gevolgen allerlei fantasieën op te bouwen die beloning en straf los maken van de oorzaak. Het is zelfs mogelijk dat de misdadiger de kans krijgt dat hij zichzelf als een heuse held gaat ervaren. Een eventuele bestraffing zal hem dan nog verder vastsjorren in zijn misdadige overtuigingen. Hij kan die namelijk opvatten als het bewijs dat de hele wereld slecht is en ‘dus’ bekeerd moet worden.

Het ziet er dus naar uit dat onze moderne rechtstaat niet langer goed is toegerust om de toestanden waarmee we vandaag te maken krijgen om een stichtende manier aan te pakken.

Fantasieën en achterdocht

Vele mensen geloven dat een lik-op-stukbeleid ontradend werkt. Dat is, zoals al gesuggereerd werd, inderdaad tot op zekere hoogte zo. Er is nochtans te weinig evidentie dat bijvoorbeeld de uitvoering van de doodstraf toekomstige moorden uitsluit. De reden hiervan is van dezelfde aard als wat plaats vindt als de afstand tussen de feiten en de reactie – tussen misdaad en straf – bij één concreet persoon te groot is. In het geval van de genoemde religieuze moordenaar is het zonder meer funest dat de bestraffing zo lang op zich laat wachten. Daardoor ontstaat er immers geen associatie tussen daad en gevolg. Doch die afstand is nog groter voor lieden die zelf helemaal niet gestraft werden, omdat ze niet gegrepen konden worden of omdat ze de strafbare daad nog niet hebben gesteld, maar dat voor zichzelf wel hebben overwogen. Voor hen geldt dat de rationalisaties die zich bij A. manifesteren nog feller kunnen doorwerken, omdat zij helemaal geen foute daad hebben weg te rationaliseren. Ze hebben geen reden om schuldgevoelens te koesteren. Die werken dan ook niet remmend. Ze kunnen er op los fantaseren.

Wie zichzelf onschuldig kan of mag achten, kan zich makkelijk van een schuldige distantiëren: “Ik ben niet zoals hij!” Dat wordt echter helemaal anders als de beschuldigde of veroordeelde tot dezelfde obediëntie behoort als de waarnemer die zelf niet voor de rechter staat. De niet-beschuldigde waarnemer gaat zich vervolgens met de beschuldigde identificeren, bijvoorbeeld omdat hij meent dat die dezelfde religie aanhangt en er dus sympathiebanden tussen beiden bestaan. Ze voelen zich met elkaar verbonden. Het valt op hoe vaak in dergelijke omstandigheden het woord ‘broeders’ valt!

Hoe langer de tijdsduur is tussen misdaad en straf, hoe meer kans ook hier weer dat rationalisaties en fantasieën zich kunnen meester maken van de zich met de bestrafte identificerende waarnemer. Fantasieën over collectieve heksenjacht tegen het geloof dat men met de beschuldigde denkt te delen, wekken wrok op en lokken uitspraken over achterstelling, discriminatie en racisme op. Grote groepen allochtonen kunnen op die manier terecht komen in een wereld vol achterdocht, die zich, mede door de ruimte die een te trage rechtspraak laat, richt op de autochtone bevolking.

Maatschappelijk ongenoegen

Even belangrijk bij dit alles is de receptie van de laattijdige bestraffing in de brede maatschappij.

Mensen voelen zich gekwetst als ze het gevoel krijgen dat niet iedereen volgens dezelfde normen behandeld wordt. Ze worden boos als ze zien hoe een stomme verkeerszonde zonder pardon tot een flinke boete leidt, maar een kerel zoals A. intussen gedurende lange tijd een ‘comfortabel’ verblijf in een penitentiaire instelling geniet en dan vervolgens nog eens een proces krijgt tijdens hetwelk hij doodgemoedereerd verklaart dat hij de wet van zijn godheid naleeft en zich niet gelegen laat aan de wetten en regels van onze maatschappij. De reacties in de lezerscommentaren logen er in het voornoemde geval niet om: mensen voelden zich beledigd en gekwetst.

De traagheid van het gerechtelijk verloop schept ruimschoots de tijd om allerlei rationalisaties en fantasieën en veronderstellingen te scheppen. Dat geldt echter ook in het ruimere maatschappelijke leven, zoals bij krantenlezers. Ook bij hen is de associatie misdaad-straf zwakker, als de afstand tussen die twee groter wordt. Het gevolg is dat men verstoken blijft van het gevoel dat er rechtvaardigheid heerst. Allerlei veronderstellingen en fantasieën geven voedsel aan de indruk dat er een grote structurele onrechtvaardigheid bestaat en dat is een oorzaak van diep maatschappelijk onbehagen.

De band tussen misdaad en straf wordt door ieder mens scherp ervaren Voor wie niet zelf in de fout is gegaan, is de ervaring van die band weliswaar minder fel, doch nog steeds aanwezig. Het zou wel eens kunnen dat de ervaring van de band tussen fout en straf – en die tussen goede daad en beloning – tot de fundamentele psychologische uitrusting van de menselijke soort behoort. Wie dan voor een fout van niemendal lik-op-stuk krijgt en ziet dat een andere, veel zwaardere fout maar niet bestraft raakt of voorwerp van een slepende procedure is, ervaart gemakkelijk een diep gevoel van ongelijke behandeling en dus van onrechtvaardigheid.

Als die ongelijke behandeling zich dan nog verbindt met de constatering dat iemand, zoals de hoger genoemde misdadiger, van allochtone oorsprong is, ontstaan ideeën en uitspraken die door politiek correct ingestelde personen als “racistisch” worden bestempeld.

Dat is natuurlijk olie op het vuur!

Doordat de tweedeling autochtoon-allochtoon in de retoriek wordt binnengebracht, ontstaat een nieuwe tweedeling binnen de samenleving en groeit nieuwe grond voor de gevoelens van ongelijke behandeling.

We leren kennelijk niets

Beloning versterkt in het centraal zenuwstelsel die verbindingen die bij het ontstaan van de beloning betrokken waren. Daarom is het redelijk aan te nemen dat dit principe van beloning en straf in het algemeen van toepassing is op de maatschappelijke ontwikkelingen in hun geheel, dus op het gedrag van een collectiviteit. Groepen met een duidelijke overtuiging die hun aanhang zien groeien, ervaren die aangroei als de bevestiging van hun gelijk. Die aangroei is een beloning voor het activisme dat hun aangroei heeft veroorzaakt. De collectieve processen van beloning en versterking resp. straf en verzwakking spelen zich ook af tussen de individuen die de collectiviteit belichamen. Ze zien hoe door ieders individuele inspanning de collectiviteit in haar geheel groeit. Dat versterkt niet alleen het wij-gevoel. Hun persoonlijke inspanningen zijn werkelijk lonend – in psychologische termen: be-lonend. Als mensen worden ze zich die toestanden bewust en dus praten ze er onder elkaar over. Zodoende moedigen zij elkaar aan om hun persoonlijke inspanningen verder te zetten of zelfs te versterken. Collectiviteit en individu zijn hier opgenomen in een proces van wederzijds belonen en versterken. Dat de collectiviteiten waar ze zichzelf tegenover zien geplaatst dienvolgens afnemen of verzwakken, ervaren ze als een straf voor die andere collectiviteiten. Ze hadden maar geen verkeerde overtuigingen moeten aanhangen. Daar krijgen ze nu de straf voor! Die ervaring versterkt nogmaals hun eigen overtuiging en moedigt hen nog verder aan.

Een voorbeeld van dit fenomeen vinden we in de vierde eeuw, toen het christendom op nog geen eeuw tijds staatsgodsdienst werd. Het begon met een kleine schare overtuigden. Die begonnen steeds luider te eisen dat hun eigen feestdagen zouden erkend worden en dat ze niet langer verplicht zouden worden om de in hun ogen heidense goden te dienen en aan dito feesten deel te nemen. Door hun eigen toenemend aantal konden de christenen de druk geleidelijk opvoeren. De groei van de christelijke groep deed twijfelaars bij de tegenpartij overstag gaan. Op een bepaald ogenblik sloeg de balans definitief over. De christenen konden haast niet anders dan geloven in hun eigen gelijk en rechtmatigheid.

In onze dagen zien we precies hetzelfde als we naar de ontwikkelingen van de islam in onze landen zien. Ook de islambevolking groeit en mag gaan verhopen dat ze weldra het heft in handen zal hebben. Dit moedigt hen aan om door te gaan, nog feller te keer te gaan tegen ‘ongelovigen’ en hun religieuze en maatschappelijke eisen op te drijven. Waarom zouden ze ook niet? Ze zien met eigen ogen dat hun godheid de ongelovigen straft. Dat is toch duidelijk? En ze zien de ham die de beloning vormt voor zich al hangen. Logisch is deze gedachtegang niet, maar in de retoriek van mensen die vastzitten in zo’n beloning-straf-logica is deze gang van zaken heel vanzelfsprekend.

In de autochtone groepen groeit de bezorgdheid en beginnen sommigen rekening te houden met een nederlaag. Getuige is, bijvoorbeeld, het boek van Houellebecq, Soumission. “We halen het toch niet, dus waarom niet kiezen voor het minste kwaad?” Zo blijft er toch nog iets dat op een beloning lijkt over en is de straf van de nederlaag tenminste nog een beetje te verteren.

De les

We kunnen ons geweten nog altijd sussen door onze allochtone broeders als achtergestelden te bestempelen en wie daarop kritiek heeft te verwijten foute gedachten te koesteren.

Totdat die allochtonen zullen bepalen wie achtergesteld wordt.

De geschiedenis, zeggen sommigen, toont het beeld van een eeuwige herhaling. Als we er niet in slagen die herhaling te verhinderen, is het hek van de dam. Misschien moeten we toch maar eens ophouden met ons achter onze eigen zwakheden te verschuilen.

We zouden al eens kunnen aanvangen met een grondige modernisering van onze rechtspraak.

Dwarsligger