juncker Big BrotherIn vlaamsnationale milieus komt men steevast op voor een Europa dat opgebouwd is vanuit de volkeren. Er zijn echter wel wat redenen om te vrezen dat het met Europa helemaal de verkeerde kant op gaat en dat een Europa van de volkeren verder weg is dan ooit.

 

In plaats van stil te staan bij het verleden of de nog niet helemaal weggewerkte achterstelling van Vlamingen in de Belgische staat of bij de ergerlijke, nog steeds bestaande transfers, moeten we misschien ook maar eens onze gedachten laten gaan over het Europa, zoals ons dat vandaag overkomt. De EU is de dominerende kracht die ons leven, onze welvaart en ons welzijn op een beslissende manier bepaalt. Daarover na te denken is niet alleen nuttig. Het is noodzakelijk. We moeten dat doen met kritische blik en met het belang van mens en volk voor ogen. In deze door liberaal kapitalisme beheerste wereld schijnt van langsom alleen nog de economische efficiëntie van tel en wordt de mens herleid tot consument en producent. Even de uitspraak van de Franse schrijver Bernard Stiegler aanhalen is verhelderend: de proletarisering van verbruikers die we vandaag zien gaat gepaard met de vernietiging van savoir-vivre, zeg maar: de menselijke waardigheid. Volks gezegd: we worden zoet gehouden met brood en spelen en we worden aangezet tot kopen met illusies die ons door de reclame worden voorgehouden.

Intussen bepaalt een hoog over onze hoofden heen torende EU ons leven.

De tanks van Juncker

Het is tussen de plooien van het nieuws terecht gekomen, maar dat is heel onterecht. Het gaat om ‘de wens’ van de genaamde Juncker, Jean-Claude, die meent dat geen bruggen de tanks mogen tegen houden. Dus wil hij dat de lidstaten grote verkeersassen uittekenen om tanks en zware voertuigen toe te laten zich ongehinderd over grote afstanden – lees het hele ‘grondgebied’ van de Europese Unie – te verplaatsen. Volgens De Tijd sluit dit plan aan bij de wens om het hoofd te bieden aan de toenemende dreiging vanuit Rusland. De EU-Commissie verklaart op die manier beter crises te kunnen voorkomen, ‘onze’ missies efficiënter te kunnen ontplooien en sneller problemen te kunnen aanpakken.

Daarom moet tegen 2025 een EU-defensie volledig functioneel zijn, heet het nog. Niemand herinnert zich verkiezingen waarbij dit alles aan de kiezer werd voorgelegd, maar zoiets zijn we al langer gewend.

Het eerste dat nu bij me opkomt is: angst. Ik ben simpelweg bang van grote militaire en politieke constructies. Ze werken verpletterend voor mens en volk. De enkeling telt niet: 1000 doden in een conflict is op een schaal van 500 miljoen toch maar een klein detail? Zodra een dergelijke reuzenconstructie op poten staat is er ook niets meer dat haar kan stoppen. Haar macht neemt nog alleen maar toe. Zelf gelooft ze onaantastbaar te zijn en vooral: alles alleen en op zichzelf te moeten en kunnen doen. Dat is een vreemde gedachtengang in een wereld van wereldwijde onderlinge afhankelijkheid maar het laat het gedateerde karakter van de redenering zien. De EU stelt zichzelf op als een staat van het oude soort – de negentiende eeuw – die alles wat des mensen is onder controle wil hebben.

Cultboeken.

Psychologen weten maar al te goed dat grote macht aantrekkelijk is. Het kunnen deelnemen aan de macht, en ipso facto aan grote macht, verblindt het rationele oordeel. Macht appelleert aan diepe, oeroude instincten. Daar zullen wel fylogenetische redenen voor bestaan. We zien ook dat vele dieren de neiging vertonen samen te troepen: het deel uitmaken van een grote massa schept een gevoel van veiligheid. Hoe groter de kudde, hoe groter het veiligheidsgevoel.

Maar in het geval van de mens is dat gevoel toch bedenkelijk.

Er bestaan tenminste drie cultboeken die het gevaar van die massiviteit in het licht stellen.

Het eerste is dat van Sigmund Freud: Het ik en de psychologie der massa. Freud toont aan hoe de menselijke individualiteit die komt tot een vorm van persoonlijk, min of meer logisch onderbouwd oordeel verstikt raakt door het opgaan in een massa. Hij schreef dit boek toen de Nazi’s in Duitsland gigantische massabijeenkomsten organiseerden en mensen als één man hysterisch reageerden als de Fuhrer ten tonele verscheen. Die Fuhrer, zo meende Freud, was de verpersoonlijking van de Vader van ons Allen, die de personificatie is van de bescherming die het deelgenootschap aan de massa biedt.

Het tweede boek is Ortega Y Gassets Opstand der horden. De laatste Nederlandse vertaling ervan luidt: De opstand van de massamens. Dat zegt wellicht nog beter wat Y Gasset in 1929 wilde zeggen: dat de toeneming van de bevolking en de welvaart geleid heeft tot de verschijning van een mensentype gekenmerkt door ijdelheid, zelfgenoegzaamheid en, in zijn meer recente vormen, door een hol postmodernisme, dat gekenmerkt wordt door afwijzing van natuurlijke orde en regels, die vervangen worden door een ikzuchtig wentelen in de wellust van het onmiddellijke genoegen maar tegelijk geen kritiek kan verdragen. In Trouw van 16 mei 2015 gaf vertaler Diederik Boomsma meer uitleg over de visie van Y Gasset.

Ortega, zegt Boomsma, nam een eenzame positie in. Hij wilde Spanje moderniseren, maar was beducht voor de gevaren. Overvloed kan uitmonden in een futloos bestaan. Het gelijkheidsideaal kan autoriteit ondermijnen. Vrijheid kan leiden tot egoïsme. ‘La rebelión de las masas’, opgebouwd uit essays, werd alom gelezen en geprezen. Johan Huizinga, Nederlands beroemdste historicus, noemde het werk ‘een baken in den storm dezer bewogen tijden’. Daarmee bedoelde hij de opkomst van het communisme en het fascisme.

Ook hier weer verliest de individuele mens zijn intellectuele greep op zijn bestaan. Als problematische achtergrond verschijnt alweer de massa.

Het derde cultboek is het beroemde boek van Alexis de Tocqueville: Democratie in Amerika. De Tocqueville schrijft: ik vraag mij af, welke de trekken zijn waaronder de tirannie weer een nieuwe gestalte zou aannemen. Ik zie dan voor me een ontelbare massa van in alle opzichten gelijke mensen, die heel egocentrisch bezig zijn met het rusteloos najagen van de onbeduidende, burgerlijke genoegens waar zij hun hart op gezet hebben.(…) Boven al deze egocentrische individuen torent een enorm bevoogdend machtsapparaat als enige instantie die hun welvaart garandeert en hen van de wieg tot het graf begeleidt. Het is allesomvattend, voorziet en regelt alles tot in detials en wel met fluwelen handschoenen. En zou een vergelijking te maken zijn met de verhouding ouders-kinderen(…).

Altijd dezelfde euvels

Het is moeilijk om, op dit punt aangekomen, niet onwillekeurig aan de EU te denken, zoals deze vandaag aan ons verschijnt.

In werkelijkheid is er nog een vierde werk dat door velen gelezen is, maar te vaak alleen maar als een fictie-roman wordt bestempeld. Het gaat natuurlijk om George Orwell in diens 1984.

De Big Brother – wat verwijst naar de ouder-kindrelatie waarover de Tocqueville schrijft – regelt alles, zorgt voor alles maar modelleert ook het denken en voelen van de grote massa waarover hij heerst. Dat aspect van Orwells roman is goed bekend. Minder bekend is het feit dat die Big Brother zowat constant in oorlog is. De Big Brother, ontstaan na een revolutie, tot stand gebracht door ‘De Partij’ en die na haar machtsovername over een massa van driehonderd miljoen mensen nog steeds de illusie in stand houdt dat de mensen opmarsjeren naar een trotste natie van strijders die in volmaakte eenheid strijden en triomferen, die Big Brother dus, had een externe vijand: Eurazië. En net als bij Freud was elke vorm van individuele kritische distantie verdwenen. Winston Smith, in wiens geest twijfel en zelfs een vorm van verzet rijst, wordt door de machtige machine van de Big Brother volledig vermalen.

De schrijvers van die dagen konden geen besef hebben van wat wij vandaag sociale media noemen: de spulletjes die dat mogelijk maken bestonden gewoon nog niet. De voorspellingen van de schrijvers moeten dus aan onze tijd worden aangepast. Misschien houdt dit onder meer in dat ‘het bestuur’ zoals dat bijvoorbeeld bij Orwell wordt beschreven, veel minder rechtstreekse greep heeft op het denken en voelen van de massa’s en dat deze greep voor een belangrijk deel verschoven is naar het egalitaristische politiek correcte denken dat via de sociale media overal doordringt. Ook het bestuur zélf kan onder invloed van die sociale media komen.

Het verhaal is dus vandaag complexer dan in de jaren dertig van vorige eeuw, toen het opkomende fascisme en communisme een al bij al simpele wereld presenteerden.

Doch de grondprincipes blijven dezelfde: de aanwezigheid van de massamens, het verdrinken van het inviduele, logische oordeel, het gelijkschakelen van de massa’s en het uitwissen van wat in die massa verdelingen aanbrengt – ik wijs er in het voorbijgaan op dat dit punt ook een zorg was voor Hannah Arendt -, het uitoefenen van macht vanuit een punt waarop niemand nog echt greep heeft. Tenminste op de achtergrond is er ook altijd een vijandbeeld aanwezig. Bij Orwell is dat heel uitdrukkelijk en bij Y Gasset en Freud, die beiden schreven en werkten in de periode tussen de twee wereldoorlogen, is die vijandgedachte op de achtergrond zeker aanwezig. De Tocquevilles boek is ontstaan tijdens een reis in Amerika en hij beperkt zicht tot de verslaggeving van zijn reis.

Geen positief toekomstbeeld

Ik keer nu terug naar de tanks van Juncker.

Waar denkt die man aan, als hij dergelijke dingen zegt? Ongetwijfeld denkt hij aan een potentiële externe vijand. Dat is dus precies gelijkaardig als het externe vijandbeeld in drie van de hiervoor aangehaalde werken.

Juncker ziet niet zomaar een externe vijand: hij ziet een militaire vijand die de Europese Unie bedreigt.

Kan iemand uitleggen wat het verschil is tussen deze manier van zien en die van de regeringen van de nationale staten een eeuw geleden, bijvoorbeeld die van Duitsland en Frankrijk? Het lijkt duidelijk: de EU is business as usual.

Tegelijk is de denkwijze van Juncker niet uit te leggen zonder de Europese Unie op te vatten als één groot, intern min of meer gelijkgeschakeld geheel, een geheel van meer dan een half miljard mensen. Ook dat element komt in de literatuur telkens weer terug. In de literatuur wordt deze gelijkschakeling doorgetrokken tot een modelleren van denken en voelen van de bevolkingsmassa.

Sommigen zullen opmerken dat het met dit laatste toch niet zo’n vaart loopt.

Ieder heeft het recht optimistisch te denken, maar hoelang is het geleden dat in EU-milieu’s acties werden aangekondigd tegen wat zij fake-nieuws of nepnieuws noemen? Hoever zijn we dan nog verwijderd van een van bovenaf modelleren van denken en voelen van de volkeren van Europa tot allemaal gelijkgeschakelde Europese ‘burgers’?

Natuurlijk vindt dat proces niet op die simpele manier plaats: de opkomst van de genoemde sociale media, bijvoorbeeld, compliceert de zaak, doch maakt het modelleren daarom niet minder effectief.

Dit brengt ons bij het derde element dat we telkens weer terugvinden: het uitschakelen van het individuele, kritische oordeel.

Psychologisch is het een belasting om tegen de stroom in te varen. Het is veel gemakkelijker om in de populaire brood-en spelencultuur, van de massaysterie van het voetbal tot de collectieve, al dan niet opgeklopte verontwaardiging tegen Donald Trump, gewoon mee te gaan. Zodoende is wie apart staat tegelijk zonderling of zelfs extremist.

Als we media zouden hebben die oog hebben voor het belang van de kritisch denkende individuele geest, zou je misschien nog kunnen zeggen dat het in realiteit niet zo’n vaart loopt. Maar de combinatie van een staatsnationalistisch denkende en handelende EU, een falend onderwijs, sociale media en politieke correctheid en een medialandschap dat zijn maatschappelijke plichten verwaarloost: dat is geen recept voor een positief toekomstbeeld.

Twee fundamentele waarheden

Tegenover deze hedendaagse Big Brother in de vorm van een allesbepalende EU, die zich kennelijk op een oorlog met Rusland voorbereidt, moeten twee fundamentele waarheden worden geplaatst.

Ten eerste. In de sombere jaren dertig van vorige eeuw schreef de Franse dichter en schrijver André Suarès de beroemde woorden (mijn vertaling): Ik zing de lof van de kleine naties. Alleen zij zijn op de maat van de mens. De grote imperia zijn slechts op de maat van de soort. De kleine naties hebben het aanschijn gegeven aan de stad, de moraal en aan de individuele mens. Suarès schreef deze woorden in een werk getiteld : Vues sur l’ Europe. Ja, hij had een visie op Europa!

Erkenning voor de individuele waardigheid en voornaamheid vindt Suarès in de grote rijken niet terug: daarvoor moet je naar eenheden op mensenmaat terugkeren. God heeft mensen geschapen, schrijft hij, maar heus geen massa’s. Precies de verscheidenheid is het kenmerk van die individuele menselijkheid.

De kaarten liggen derhalve niet zo gunstig voor de individuele mens, die op waardigheid en morele en intellectuele voornaamheid is gericht, in een massastaat die handelt zoals de EU laat zien.

Maar ten tweede: Rusland is gewoon niet onze vijand. Dat is gewoon niet waar. Dat vijandbeeld is nog een vage maar onterechte erfenis uit het tijdperk van de Koude Oorlog, toen de Sovjetlegers op enkele tientallen kilometers van het Duitse Kassel stonden. Er wàs toen alle reden om ongerust te zijn en onszelf te wapenen. Het zwakke West-Europa dat nog steeds bezig was het puin van de oorlog te ruimen, had niet langer de kracht en de morele weerbaarheid die enige kans op verzet tegen de Sovjetlegers denkbaar konden maken. De aanwezigheid van –toen- zowat 300.000 Amerikaanse militairen en een breed uitgespreid atoomparaplu leken toen noodzakelijk. Het Rusland van vandaag evenwel is nog slechts een schim van de voormalige Sovjet-Unie. De militaire uitgaven van Rusland bedroegen in 2009 61 miljard Am. dollar; die van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk respectievelijk 69 en 67 miljard dollar. De Amerikaanse 667 miljard. Bovendien werd het Warschaupact opgedoekt als gevolg van het uiteenvallen van de Sovjet-Unie. De NAVO echter bleef behouden, en moet om enige vorm van geloofwaardigheid te behouden bij voortduring op zoek gaan naar vijanden buiten Europa.

Precies omdat Rusland nog slechts een schaduw van de voormalige Sovjet-Unie is, zijn de atoomwapens veel gevaarlijker dan ooit. Er kan een moment komen dat de leiding van Rusland geen keuze meer heeft. Iemand als de Belgische stafchef zal deze gedachtengang afwijzen, maar kan hij ook inhoudelijk de argumentatie ervan weerleggen? Of verkiest ook hij door te lopen in oude, versleten sporen?

Twee modellen

Al het voorgaande is stof genoeg om na te denken over een ander Europa dan wat ons vandaag wordt voorgeschoteld.

Om een continent met een zo grote verscheidenheid te besturen zoals je die in Europa vindt, bestaan er in werkelijkheid maar twee modellen.

Het eerste is dat van Zwitserland: de confederatie met een grote mate van zelfstandigheid voor de samenstellende delen. Het tweede model is dat van een keizerlijk imperium, dat onverbiddellijk streeft naar een zo groot mogelijke interne harmonisatie.

Omdat het keizerlijke model veel te veel neigt naar de euvelen die hierboven werden beschreven, blijft voor wie aan de menselijke waardigheid denkt in werkelijkheid alleen het confederale model over.

In EU-middens verwerpt men dit model, onder meer bij monde van H. van Rompuy, die beweert dat het confederale model niet werkt. De feiten spreken hem tegen: Zwitserland hield het 700 jaar vol. Anderhalve eeuw lang functioneerde de Hanze als een los handelsverbond tussen steden van wat nu Noord-Frankrijk is tot in het Balticum en Zweden. Omdat de communicatiemiddelen tegenwoordig ontzettend veel groter zijn dan in de veertiende en vijftiende eeuw, zou een Hanze-achtig verbond tegenwoordig wel degelijk te overwegen vallen.

Het zwaartepunt zou in dat geval bij volksstaten kunnen liggen, die vervolgens samen organiseren wat elk van hen afzonderlijk niet aankan, ook al zijn die volksstaten dan niet langer de dragers van een absolute soevereiniteit, zoals de officiële leer verkondigt. Tegelijk verschijnt de kans om de etnische verscheidenheid politieke erkenning te geven, hetgeen het ontstaan van toekomstige spanningen helpt te voorkomen. Zelfs etnische enclaves zijn denkbaar, hetgeen in de Balkan niet zonder belang is. Ook kleine volkeren zouden zichzelf tot op een relevant politiek niveau kunnen organiseren.

Een dergelijk verbond vereist geen apart parlement, geen dure vogels zoals Europese commissieleden, geen ambtenarenleger van 35.000 personen. Een goed functionerend coördinatiebureau kan volstaan: een gigantische besparing. Maar het geheel komt wel makkelijker tegemoet aan de zorgen die door André Suarès werden verwoord.

Voorwaarde is het beroep dat iedereen doet op de positieve krachten in de modale individuele mens, het vertrouwen in het menselijk kunnen en de wil om het altijd nog beter te doen. De vereist een her-denken van onderwijs en mediacultuur én van de werkelijke betekenis van wat wij cultuur noemen.

Een Euraziatische veiligheidszone

In een dergelijke niet-(staats)nationalistische structuur is er kans op intense samenwerking met Rusland, dat immers niet langer als vijand hoeft opgevoerd. Rusland speelde altijd al een rol in de Europese politiek. De Sovjet-periode is in werkelijkheid slechts een tijdelijke onderbreking hiervan. Als we afzien van een EU-mogendheid die Rusland als externe vijand opvat, vinden we misschien een weg om Rusland weer een plaats te geven in de Europese politiek. Voor Rusland biedt dat enorme voordelen en een organisatie van Europa die werkelijk van onderen op functioneert kan Rusland zodanig beïnvloeden dat er ruimte komt om nieuwe oplossingen te vinden voor de belangen van de Russen in bijvoorbeeld Oekraïne.

De voorwaarde voor dit alles is het opgeven van het staatsnationalistisch denken, zoals dat onder anderen beschreven werd door Stan Verschuuren en in het geval van Frankrijk en Groot-Brittanië uiteengezet werd door Anthony D. Smith, in diens National Identity. Misschien helpt de Brexit ons alvast af van verzet vanuit het Verenigd Koninkrijk.

Smith heeft nooit over een Euraziatische veiligheidzone gesproken. Die zou ons relatief kleine Europese schiereiland opnemen in een veiligheidszone die ook Rusland, China en mogelijks India omvat.

Zeer zeker zou de concurrentie met name met China en India niet meevallen, maar of we dat willen of niet: die concurrentie komt er gewoon toch aan. Ze vindt vandaag al plaats en ze ligt aan de basis van de huidige handelsoorlog tussen Amerika en China. We kunnen er ons maar beter op voorbereiden en een verbond dat door zijn grote verscheidenheid vele actiemogelijkheden kan verzinnen, biedt interessante vooruitzichten, omdat de verscheidenheid andere, vruchtbare initiatieven kan opleveren en de EU een positieve rol kan spelen als faciliterend orgaan. Dat lijkt beter dan ons te verschansen in een Europees fort, waarvan de steeds talrijker wordende bressen toch niet te dichten blijven, en dan spreken we niet eens over de illegale immigratie. Het grote nadeel van zo’n fort is altijd dat het de hele Europese massa één enkel spoor dwingt, en misschien zelfs het verkeerde spoor. Vanuit de biologie weten we dat verscheidenheid altijd voordelig is: zonder die verscheidenheid had de pest misschien de mensheid uitgeroeid. Er is geen reden om te denken dat zulke gedachtengang niet ook kan gelden op economisch, sociaal en cultureel vlak. Aan een nieuwe uitgave van een superimperium naar het model van Oostenrijk-Hongarije is er geen behoefte meer.

Tegelijk geeft heel dit beeld ons de kans ons van de dominantie van de Verenigde Staten te bevrijden. Het is voor de wereldvrede gewoon niet goed dat één land de hele tijd naar de volstrekte economische, culturele, politieke en militaire dominantie kan streven. Zo’n situatie wordt onvermijdelijk labiel. Ze leidt tot onafgebroken spanningen onder grote blokken. In een wereld vol kernwapens is dat levensgevaarlijk. Onvermijdelijke misverstanden binnen Europa kunnen in dit model altijd tot de kleinere schaal worden beperkt, dan zijn ze minder riskant. Dat heeft iets van doen met de bekende containment-politiek.

Als we ons van de VS kunnen losmaken, zal ons dat ook helpen om – bijvoorbeeld en in de huidige omstandigheden – een Europees gevechtsvliegtuig te kopen in plaats van de F-35, waarvan de Amerikanen de gebruikstouwtjes stevig in handen houden. Meer zelfs: wie weet wordt het ooit denkbaar dat er in Europa naast vliegtuigen zoals de Gripen ook Soechoj-vliegtuigen door de lucht klieven. Dat zou een as met Rusland en China voor vele jaren vastlassen. Behalve wapenboeren heeft immers niemand er belang bij spanningen met Rusland te scheppen.

Dat alles lijkt nu slechts een droom, maar dromen hebben de mensheid altijd al voortgestuwd – denk maar aan de ruimtevaart. Over een eengemaakt Europa wordt al eeuwen gedroomd. In tegenstelling tot sommige andere dromen gaat het dit keer niet om een boze droom. De Russen zouden hun raketten dan niet langer op Kleine Brogel of Volkel hoeven te richten.

Dat is niet alleen voor de Limburgers en de Brabanders een opluchting.

Vertrouwen in de krachten van een burgergemeenschap

We moeten dus maar eens dieper nadenken over een ánder Europa. Misschien moeten we meer en beter beseffen dat wat de politieke sfeer heet niet het alfa en het omega van ons bestaan mag zijn, ook al is die sfeer zo groot als de EU. En misschien hebben vele vlaamsnationalisten te lang en te hoog ingezet op de politiek door van deze laatste de oplossing voor al hun problemen te verhopen. Dat is ongeveer dezelfde fout als die van zovele euronationalisten vandaag.

Misschien moeten we maar eens meer vertrouwen hebben in de krachten van een gemeenschap van bewuste burgers. De volksstaten die hier bedoeld worden, hebben werk genoeg voor de boeg: de zorg om de zwakkeren, zieken, kinderen, de bejaarden, waarvoor betaalbare rusthuizen moeten tot stand komen. Er is het verkeer en de gezondheidszorg, de kwaliteit van het onderwijs en een hoop relevant wetenschappelijk onderzoek, om over natuurbehoud maar te zwijgen. Misschien begint het werk dus eerst bij het opbouwen van geloofwaardige gemeenschappen van bewuste burgers en laten we het denken in termen van politieke imperia voor wat het is: voorbijgestreefd.

Dwarsligger

Oorspronkelijk