Print

privilegesGastauteur Fank Boll: Privilegiejacht ondermijnt democratie en economie.

Pressiegroepen met enge groepsbelangen die uitzonderingen bedingen op het naoorlogse Westerse model van economische ordening kunnen de economie en de democratie onderuit halen. Dat argumenteerde in 1982 de apostel van de anti-privilegiejacht, de Amerikaan Mancur Olson.

Van datzelfde jaar 1982 dateert een notoir tegenvoorbeeld. Het Akkoord van Wassenaar tussen de sociale partners en het kabinet Lubbers. Of het verhaal van belangengroepen met een ruimere kijk op de maatschappij dan het smalle groepsbelang. Dat poldermodel heeft Nederland geen windeieren gelegd. Het ligt in de lijn van de merkwaardige politieke en economische ontwikkeling van Nederland sedert het einde van de zestiende eeuw.

Kleine en grote belangengroepen bedingen van de overheid uitzonderingen op de regels van de markteconomie en de rechtstaat, met grote voordelen voor hen, maar met kosten die maatschappelijk groter zijn dan de voordelen. Die kosten worden weliswaar uitgespreid over een grote massa, waardoor ze voor elkeen zeer klein zijn. En dat doodt het besef ervan.

Dat proces van privilegiehonger op kosten van de anderen, en dus van het bonum publicum, nam over de laatste decennia exponentieel toe. Die oneindig veel kleine kosten worden dan wel heel groot. En dat doet zich gevoelen in de groei. Alle landen lijden onder dit verstikkende euvel. Maar sommigen veel meer dan anderen.

Zo bv. Italië. Jaren geleden poogde de regering van Mario Monti de markten van producten, diensten en arbeid in Italië te liberaliseren. Dit om de groei te bevorderen. Een stakende taxibestuurder verklaarde toen op de Italiaanse TV overheidszender, de RAI, dat als iedere beroepsgroep evengoed zou beschermd worden als zij, Italië beter af zou zijn. Het exact tegenovergestelde is echter het geval. Hoe meer bescherming van beroepsbelangen, hoe kleiner het BNP en haar groei. Ook daar is Italië een voorbeeld van. Sedert 2000 bleef het per capita BNP er quasi constant.

Het perfecte voorbeeld van volledig afgeschermde markten was het feodale tijdperk. De privilegies van het hof, de adel en de clerus bleven ongewijzigd. Die privilegies werden gefinancierd door de boeren. Een vastgeroest economisch systeem waar groei vaak gedurende eeuwen onbestaand was. Geen wonder, omdat in dat systeem meer voor de enen minder betekende voor de andere . Of economie als een zero-som spel.

De vrije markt daarentegen houdt mededinging in. Vrije toegang tot de markt garandeert vele spelers. Nooit was de sociale mobiliteit groter. In een vrije markt worden behoeften gedekt tegen de laagste prijs. En zo blijft meer over om meer behoeften te dekken. Het is een positieve-som spel.

Vraagpatronen wijzigen zich over de tijd. Aanbodpatronen moeten dan worden aangepast. Maar ingevoerde beschermingen allerhande maken dat onmogelijk, of vertragen het proces , of maken het maatschappelijk veel duurder door het legisleren van compenserende bescherming. Een schuldige daarbij is de huidige welvaartstaat die haar oorspronkelijke en lovenswaardige doeleinden ver is voorbij gegroeid.

De vrije markt zorgde ervoor dat over de laatste zeventig jaar in het Westen het BNP met een factor vier toenam. Daardoor werden meer mensen uit de armoede getrokken dan ooit tevoren. In de wereld nam de absolute armoede dramatisch af. Cruciaal is dat de vrije markt een positieve-som verhaal is: beide partijen in een contract hebben er voordeel bij, of wat de ene wint komt niet ten koste van de ander. Dit in tegenstelling tot het verhaal van de Italiaanse taxibestuurder.

In de naoorlogse periode slaagden belangengroepen allerhande er immer meer en beter in het staatspaard voor hun kar te spannen. Daardoor werd het marktproces dat zijn kracht haalt uit gelijke kansen voor iedereen, gaandeweg verzwakt. Die speciale statuten zijn allemaal van het negatieve-som type: iedereen, behalve de belanghebbenden in kwestie, verliest eraan. En dat collectieve verlies wordt over de tijd altijd maar groter dan de winst voor de beschermden. Het gaat hier niet enkel om monopolies en oligopolies in de markten van goederen en diensten. Ook onder meer een aantal beroepen, beroepsverenigingen, middenstandsorganisaties, en vakbonden, zelfs populaire sporttakken, universiteiten, de overheid zelf, de politiek en de partijen, allemaal zijn ze onderhevig aan dit euvel. Een speciaal statuut voor één groep wordt dan vaak gecompenseerd door een wettelijk privilegie voor een andere groep. Maar zulke politieke vergelijken betekenen telkens twee negatieve-som verhalen.

Deze processen worden door de Angel Saksers “rent-seeking” genoemd. Volgens de definitie van de Oxford Dictionary of Economics betekent rent- seeking het spenderen van tijd en geld, niet aan de productie van goederen en diensten, maar aan de poging de overheid te overhalen om de wet te wijzigen om zo zijn onderneming, organisatie of persoon winstgevender te maken. Die wetgeving, vaak van fiscale of sociale aard, kan verschillende vormen aannemen, zoals onder meer allerhande subsidies, een wijziging in het wettelijke kader om concurrentie te verminderen, het tolereren of stimuleren van afspraken tussen producenten, het wettelijk verplicht maken van het gebruik van professionele diensten, of het stichten met publiek geld van honderden instituten en agentschappen met vaak overlappende en vage doeleinden.

De schaal waarop deze processen in Westerse democratieën plaatsvinden, en de meestal verborgen nadelen ervan, blijven onbesproken. Als de taxisector beschermd is, worden nieuwe initiatieven verboden ten koste van de tewerkstelling, met een hogere kostprijs voor de gebruiker tot gevolg. Ondertussen maakt ieder van ons deel uit van één of meerdere van zulke belangengroepen. Dat doodt het bewustzijn dat het hier om collectief verlies gaat. Omdat rent-seeking onder de oppervlakte ligt, wordt de impact ervan verwaarloosd. Maar privilegiegretigheid of rent-seeking ondermijnt de democratie, de vrije markt en de economische vooruitgang, en werkt corruptie in de hand. De afschaffing ervan zorgt op termijn voor een aanzienlijke stijging in de groei, een toename van de staatsinkomsten en een daling van de overheidsuitgaven .

Privilegiezucht is van alle tijden en alle landen. Maar niet alle landen belijden het geloof in de markt en de democratie. Het Westen wel. Rent-seeking staat daar haaks op.

Een ironie is dat vaak zij die lippendienst bewijzen aan de markt grote initiatiefnemers zijn om de wetgever voor hun kar te spannen. Ondernemingen zijn de bron van onze welvaart. Maar het belang van vrije markten valt niet noodzakelijk samen met het belang van grote ondernemingen.

De verwevenheid van overheden en de wetgeving met vakbonden, grootbanken en grote ondernemingen schaadt de democratie en de economie. Geen wonder dat een recente Gallup poll tot de bevinding kwam dat 75% van de Amerikanen geloven dat de corruptie bij hun overheid aanzienlijk is. Hetzelfde geldt voor Europa met vaak grote en groeiende verschillen tussen Germaans en Latijns Europa, o.m. wat betreft pensioenstelsels, arbeidsmarktstatuten en de omvang van de overheidssector. Zoals Nobelprijswinnaar Jean Tirole betoogt: “Wij hebben een magere maar sterke overheid nodig die weerstand biedt aan lobby’s”.

Frank Boll

Gepubliceerd in Het Financieel Dagblad van 14 januari 2017