de telegraafROB HOOGLAND (De Telegraaf) Je kunt veel over De Telegraaf zeggen, maar niet dat de krant aarzelt om politiek incorrecte onderwerpen aan te roeren. Alle andere Nederlandse dagbladen beginnen daar niet of nauwelijks aan, net als onze publieke omroepen. De Telegraaf neemt daarmee nog steeds een unieke positie in.

Lang, heel lang geleden, toen die uitdrukking nog niet bestond, was De Telegraaf juist het toonbeeld van correctheid. Ik blader weleens door oude Telegrafen uit het interbellum en kan daarbij een milde glimlach nooit onderdrukken: saaiheid alom, met op de volgepropte, veel te grijze voorpagina een bericht (oktober 1935) over de tweekamp om het wereldkampioenschap schaken tussen Aleksandr Aljechin en uitdager Max Euwe, die met 15,5-14,5 won.

Mooie tijden, niet alleen voor het nobele schaakspel, maar ondanks die saaiheid ook voor De Telegraaf, hoewel de krant na de herverschijning in 1949, met name toen hoofdredacteur J.J.F. Stokvis aan het bewind kwam, aan nog veel mooiere tijden begon. Stokvis wenste de angelsaksische manier van dagbladen maken te kopiëren en trok daarvoor bijvoorbeeld de toen pas 21-jarige Henk van der Meyden aan. Het resultaat: een ongekende oplagegroei, zelfs wereldwijd gesproken. Tijdens onze hoogtijdagen voor de krant op reis, destijds als sportjournalist, vertelde ik Amerikaanse verslaggevers weleens dat wij meer dan 800.000 exemplaren per dag drukten. Ze konden het zich niet voorstellen. In zo’n klein landje!

Ik vertelde die Amerikanen dan tevens dat het tot veel haat en jaloezie leidde bij andere Nederlandse media.

Maar ja, hoe moest ik ’Calimero-gedrag’ vertalen?

Natuurlijk lazen wij thuis De Telegraaf, die lef had en geen angst kende. Dat voedde mijn waardering voor de krant, die zelfs omsloeg in bewondering op het moment dat Nederlandse mariniers uit Den Helder en Doorn op 25 augustus 1970, toen het ’langharige werkschuwe tuig’ dat dag en nacht op de Dam rondhing geen gehoor bleek te geven aan het bevel van Ivo Samkalden om daar te vertrekken, de toenmalige burgemeester van Amsterdam op eigen initiatief een handje kwamen helpen. De kop waarmee De Telegraaf toen juichend opende is legendarisch: ’Jantjes vegen Dam schoon’.

Het gevolg?

Nog meer Telegraaf-haat in linkse hoek, nog meer populariteit bij wat ik nog steeds - gouden slogan destijds - het gezonde verstand noem.

Bijna zes jaar later aarzelde ik dan ook niet toen ik het aanbod kreeg om bij De Telegraaf in dienst te komen. Ik werkte voor het Haarlems Dagblad/IJmuider Courant, een keurige, regionale courant. Een van de hoofdredacteuren daar was de deftige Jos Lodewijks, zo’n man die het Witte Huis vanachter zijn Haarlemse bureautje in zijn krantencommentaren voor de laatste maal pleegde te waarschuwen. „Heb jij dan geen principes?” beet hij mij toe, nadat ik hem over mijn transfer had ingelicht.

O, die haat.

Ik wist het meteen: dit is mijn krant. En dat bleef-ie, alweer bijna 42 jaar nu, best een groot deel van de 125 jaar die De Telegraaf nu oud is. Die weigering om met alle andere media in de pas te lopen: ik vond en vind het geweldig. NieuwLinks met zijn belachelijke, onhaalbare en eenzijdige standpunten kon mij gestolen worden, de grote muilen van linkse actievoerders irriteerden mij toen al. Ik las ook graag de columns van Leo Derksen, de plaag van Vara-coryfeeën als Sonja Barend en ’Bommetje Horlepiep’, oftewel Frits Bom, alsmede de heer J. den U. te B., de PvdA-leider die zelf overigens weigerde om zich al te zeer tegen De Telegraaf af te zetten. „Daar zitten mijn kiezers”, verklaarde ome Joop.

Toen nog wel, inderdaad.

En toen, 12 ½ jaar later, werd ik zelf ineens vaste columnist, als opvolger van Leo Derksen. Het was niet gepland, de ambitie was er ook nooit, maar ik sloot er wel mee aan in een prachtige rij. Het vervulde mijn vader met trots. Hij was sinds jaar en dag een groot fan van de toonaangevende Telegraaf-columnisten, vooral omdat zij voorop liepen bij het omver schoppen van heilige huisjes. De eerste: Johan Luger, die al voor de oorlog columns schreef en daar na de herverschijning mee doorging. Zijn pseudoniem: Pasquino. Een lezer stuurde mij eens een stapel met tientallen columns van hem. De jaren vijftig waren saai, zegt men. Welnu, dat gold niet voor Pasquino, die ongekend scherp kon zijn en tot zijn dood in 1964 bewonderenswaardig incorrect doorschreef.

Jacques Gans publiceerde toen al negen jaar op andere plekken in De Telegraaf. Hij was een voormalige communist, een dorstige bohemien en een groot schrijver wiens opinie ertoe deed. Er gaat zelfs een verhaal over hem dat hij met een pistool op zak op weg was naar Den Haag om Joop den Uyl te vermoorden, maar dat hij onderweg was blijven hangen in een café. Laten we het niet kapot checken. Feit is dat Gans, de uitvinder van het woord ’staatsruiveniers’, heel populair was en tot zijn dood in 1972 meer dan 5.000 Telegraaf-columns schreef. En toen kwam dus voornoemde Leo Derksen.

Dat omver schoppen van heilige huisjes: dat beviel - en bevalt - mij zo aan De Telegraaf, niet alleen in de columns maar ook elders in de krant. Had een Turk een misdaad begaan? Dan noemden wij hem een Turk. Wij kwamen bovendien op voor de underdog die door partijen als de PvdA zo harteloos in de steek was gelaten, bereikten onnoemlijk veel sportliefhebbers met Anton Witkamps uitvinding Telesport, slaagden er evengoed in het bedrijfsleven en de vrouwelijke lezer aan ons te binden, hadden als enige een pagina als Privé, ontwikkelden zelf publiciteitsacties wanneer wij daartoe de tijd rijp achtten, maar verloochenden onze journalistieke principes niet toen justitie twee verslaggevers, Joost de Haas en Bart Mos, in 2006 enkele dagen in de cel gooide omdat zij hun bronnen niet wilden prijsgeven. Uiteraard haalde justitie bakzeil.

Zoals De Telegraaf laatstelijk weer de Zwarte Piet-kwestie versloeg?

Fantastisch.

Dwars tegen het gedram van de beroepsgekwetsten in.

Ik ben blij dat ik er al zo lang lekker incorrect aan kan meedoen

 

https://www.telegraaf.nl/nieuws/1491231/schoppen-tegen-heilige-huisjes